1 Korintským 14
Kralice Bible (1613)Translation
Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Následujtež tedy lásky, horlivě žádejte duchovních věcí, nejvíce však, abyste prorokovali.
1Jaagt de liefde na, en streeft dan naar de Geestesgaven, doch naar het profeteren het meest.
2Nebo ten, jenž mluví cizím jazykem, ne lidem mluví, ale Bohu; nebo žádný neposlouchá, ale duchem vypravuje tajemství.
2Wie talen spreekt, spreekt niet voor mensen, maar voor God; want niemand verstaat hem, maar in geestverrukking spreekt hij geheimzinnige woorden uit.
3Kdož pak prorokuje, lidem mluví vzdělání, i napomínání, i potěšení.
3Maar wie profeteert, spreekt voor mensen tot stichting, vermaning en troost.
4Kdož mluví cizím jazykem, sám sebe vzdělává, ale kdož prorokuje, tenť církev vzdělává.
4Wie talen spreekt, sticht zichzelf; maar wie profeteert, sticht de gemeente.
5Chtělť bych pak, abyste všickni jazyky rozličnými mluvili, ale však raději, abyste prorokovali. Nebo větší jest ten, jenž prorokuje, nežli ten, kdož jazyky cizími mluví, leč by také to, což mluví, vykládal, aby se vzdělávala církev.
5Ik wens u allen toe, dat gij in talen moogt spreken, maar meer nog, dat gij moogt profeteren; want hij die profeteert, overtreft hem die in talen spreekt, behalve als hij het ook vertolkt, zodat de gemeente er stichting uit trekt.
6A protož, bratří, přišel-li bych k vám, jazyky cizími mluvě, což vám prospěji, nebudu-liť vám mluviti, buď v zjevení neb v umění, buď v proroctví neb v učení?
6Welnu broeders, als ik tot u kwam en in talen sprak, wat nut zou ik u stichten, zo ik niet tevens u toesprak met openbaring of kennis, met profetie of met lering?
7Podobně jako i bezdušné věci, vydávající zvuk, jako píšťalka nebo harfa, kdyby rozdílného zvuku nevydávaly, kterak by vědíno bylo, co se píská, anebo na harfu hrá?
7Het gaat er mee als met de levenloze muziekinstrumenten, fluit of citer; zo ze verwarde geluiden voortbrengen, hoe komt men dan te weten, wat er gefloten of getokkeld wordt?
8Ano trouba vydala-li by nejistý hlas, kdož se bude strojiti k boji?
8En zo een bazuin een bazuin onzekere klank uitstoot, wie maakt zich dan ten strijde gereed?
9Tak i vy, nevydali-li byste jazykem svým srozumitelných slov, kterak bude rozumíno, co se mluví? Budete jen u vítr mluviti.
9Zo gaat het ook u met uw taal; zo gij geen verstaanbare woorden doet horen, hoe zal men dan begrijpen wat er gesproken wordt? Gij spreekt dan tegen de wind!
10Tak mnoho, (jakž vidíme,) rozdílů hlasů jest na světě, a nic není bez hlasu.
10Er zijn in de wereld wie weet hoeveel talen, en geen enkele is er onverstaanbaar.
11Protož nebudu-liť znáti moci hlasu, budu tomu, kterýž mluví, cizozemec, a ten, jenž mluví, bude mi také cizozemec.
11Maar wanneer ik de zin der taal niet versta, dan ben ik een barbaar voor iemand, die met me spreekt, en hij voor mij.
12Tak i vy, poněvadž jste horliví milovníci duchovních věcí, toho hledejte, abyste se k vzdělání církve rozhojnili.
12Zo moet ook gij, nu gij toch zo naar geestverrukking hunkert, er ijverig naar streven, om daarmee de stichting der gemeente zoveel mogelijk te bevorderen.
13A protož, kdož mluví jazykem cizím, modl se, aby mohl vykládati.
13Dus, hij die in talen spreekt, moet bidden, dat hij ook vertolken kan.
14Nebo budu-li se modliti cizím jazykem, duch můj se toliko modlí, ale mysl má bez užitku jest.
14Want wanneer ik in talen bid, dan bidt wel mijn geest, maar mijn verstand dient voor niets.
15Což tedy jest? Modliti se budu duchem, a modliti se budu i myslí; plésati budu duchem a plésati budu i myslí.
15Hoe moet het dan? Ik wil bidden met mijn geest, maar ook bidden met mijn verstand; ik wil lofzingen met mijn geest, maar ook lofzingen met mijn verstand.
16Nebo kdybys ty dobrořečil Bohu duchem, kterakž ten, jenž prostý člověk jest, k tvému dobrořečení řekne Amen, poněvadž neví, co pravíš?
16Want wanneer ge een dankzegging uitspreekt in geestverrukking, hoe zal dan iemand, die tot de oningewijden behoort, het “Amen” kunnen zeggen op uw dankzegging, daar hij niet weet, wat ge zegt.
17Nebo ač ty dobře díky činíš, ale jiný se nevzdělává.
17Zeker, gij van uw kant spreekt een schoon dankgebed uit, maar de ander wordt er niet door gesticht.
18Děkuji Bohu svému, že více nežli vy všickni jazyky cizími mluvím.
18Ik dank God, dat ik meer dan gij allen in talen spreek;
19Ale v sboru raději bych chtěl pět slov srozumitelně promluviti, abych také jiných poučil, nežli deset tisíců slov jazykem neznámým.
19maar toch wil ik in de gemeente liever vijf woorden spreken met mijn verstand, om ook anderen te onderrichten, dan tienduizend in een taal.
20Bratří, nebuďte děti v smyslu, ale zlostí buďte děti, smyslem pak buďte dospělí.
20Broeders, weest geen kinderen in uw oordeel, maar weest onmondig in het kwaad en rijp in uw oordeel.
21Psáno jest v Zákoně: Že rozličnými jazyky a cizími rty budu mluviti lidu tomuto, a anižť tak mne slyšeti budou, praví Pán.
21In de Wet staat geschreven: ”Door mensen met vreemde taal, En door lippen van vreemden Zal Ik spreken tot dit volk; Ook dan zullen ze niet naar Mij horen. Spreekt de Heer.”
22A tak jazykové jsou za div ne těm, jenž věří, ale nevěřícím, proroctví pak ne nevěřícím, ale věřícím.
22De talen zijn dus een teken niet voor de gelovigen, maar voor de ongelovigen; de profetie daarentegen is niet voor de ongelovigen, maar voor hen, die geloven.
23A protož když by se sešla všecka církev spolu, a všickni by jazyky cizími mluvili, a vešli by tam i neučení neb nevěřící, zdaliž neřeknou, že blázníte?
23Veronderstelt nu eens, dat heel de gemeente op één plaats bijeen is en allen in talen spreken, en dat er een oningewijde of een ongelovige binnenkomt; zullen ze dan niet zeggen, dat gij waanzinnig zijt?
24Ale kdyby všickni prorokovali, a všel by tam mezi ně někdo nevěřící nebo neučený, přemáhán by byl ode všech a souzen ode všech.
24Maar zo allen profeteren, en er komt een ongelovige of oningewijde binnen, dan wordt hij door allen overtuigd, door allen geoordeeld,
25A tak tajnosti srdce jeho zjeveny budou, a on padna na tvář, klaněti se bude Bohu, vyznávaje, že jistě Bůh jest mezi vámi.
25en zijn hartsgeheimen worden blootgelegd; dan zal hij neervallen op zijn aangezicht, God aanbidden, en het openlijk verkondigen, dat waarlijk God in uw midden is.
26Což tedy bratří? Když se scházíte, jeden každý z vás píseň má, učení má, cizí jazyk má, zjevení má, vykládání má, všecko to budiž k vzdělání.
26Hoe moet het dan, broeders? Bij uw samenkomsten mag elk iets hebben; de één een psalm, de ander een onderrichting, openbaring, taal of vertolking. Maar alles moet tot stichting geschieden.
27Buďto že by kdo jazykem cizím mluvil, ať se to děje skrze dva neb nejvíce tři, a to jeden po druhém, a jeden ať vykládá.
27Wanneer men in talen spreekt, dan geschiede het door twee, hoogstens drie, en op de beurt; en één moet het vertolken.
28Pakli by nebylo vykladače, nechať mlčí v shromáždění, než sobě sám nechažť mluví a Bohu.
28Zo er geen tolk aanwezig is, dan moet men zwijgen in de gemeente, en slechts spreken voor zichzelf en voor God.
29Proroci pak dva nebo tři ať mluví, a jiní nechť rozsuzují.
29Van de profeten mogen er twee of drie het woord voeren, en de anderen moeten het beoordelen.
30Pakliť by jinému tu přísedícímu zjeveno bylo, první mlč.
30En wanneer een ander, die er bij zit, een openbaring ontvangt, dan moet de eerste zwijgen.
31Nebo můžete všickni, jeden po druhém, prorokovati, aby se všickni učili a všickni se potěšovali.
31Zeker, als het úw beurt is, moogt gij allen profeteren, opdat allen er uit leren, en allen worden vertroost.
32Duchovéť pak proroků prorokům poddáni jsou.
32Profeten-geesten toch zijn aan de profeten zelf onderworpen;
33Nebo neníť Bůh původ různice, ale pokoje, jakož i ve všech shromážděních svatých učím.
33want God is geen God van wanorde, maar van vrede. Zoals het in alle gemeenten der heiligen gebeurt,
34Ženy vaše v shromážděních ať mlčí, nebo nedopouští se jim mluviti, ale aby poddány byly, jakž i Zákon praví.
34moeten de vrouwen in de bijeenkomsten zwijgen. Want het is haar taak niet, te spreken; maar ze moeten onderdanig zijn, zoals de Wet het ook zegt.
35Pakli se chtí čemu naučiti, doma mužů svých nechať se ptají. Nebo mrzká věc jest ženám mluviti v shromáždění.
35En wanneer ze inlichtingen verlangen, dan moeten ze thuis haar eigen man er naar vragen. Want het is voor een vrouw onbetamelijk, in de kerk het woord te voeren.
36Zdaliž jest od vás slovo Boží pošlo? Zdali k samým vám přišlo?
36Is het woord Gods soms van u uitgegaan, of is het alleen tot u doorgedrongen?
37Zdá-li se sobě kdo býti prorokem nebo duchovním, nechažť pozná, co vám píši, žeť jsou přikázání Páně.
37Zo iemand zich voor een profeet of begenadigde houdt, hij erkenne, dat het een gebod des Heren is, wat ik u schrijf.
38Pakli kdo neví, nevěz.
38En zo hij het miskent, dan worde hij zelf miskend.
39A takž, bratří, o to se snažte, abyste prorokovali, a jazyky cizími mluviti nezbraňujte.
39Zo dan, mijn broeders, beijvert u om te profeteren, en belemmert het spreken in talen niet.
40Všecko slušně a podle řádu ať se děje.
40Maar laat alles betamelijk en ordelijk gebeuren.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.