1 Corintios 12
Reina-Valera 1909Translation
Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Y ACERCA de los dones espirituales, no quiero, hermanos, que ignoréis.
1Wat de Geestesgaven betreft, broeders, wil ik u niet in het onzekere laten;
2Sabéis que cuando erais Gentiles, ibais, como erais llevados, á los ídolos mudos.
2gij weet het, toen gij heidenen waart, was het blindelings, dat gij naar de stomme afgoden werdt heengedreven.
3Por tanto os hago saber, que nadie que hable por Espíritu de Dios, llama anatema á Jesús; y nadie puede llamar á Jesús Señor, sino por Espíritu Santo.
3Daarom maak ik u bekend, dat niemand, die spreekt door Gods Geest, zegt: “Vervloekt zij Jesus;” en dat niemand zeggen kan: “Heer Jesus,” dan door den heiligen Geest.
4Empero hay repartimiento de dones; mas el mismo Espíritu es .
4Welnu, er is verscheidenheid van genadegaven, maar er is slechts één Geest;
5Y hay repartimiento de ministerios; mas el mismo Señor es .
5en verscheidenheid van bedieningen, maar slechts één Heer;
6Y hay repartimiento de operaciones; mas el mismo Dios es el que obra todas las cosas en todos.
6en verscheidenheid van werkingen, maar slechts één God, die alles in allen werkt.
7Empero á cada uno le es dada manifestación del Espíritu para provecho.
7En aan een ieder wordt de Geestesuiting geschonken, om er nut mee te stichten.
8Porque á la verdad, á éste es dada por el Espíritu palabra de sabiduría; á otro, palabra de ciencia según el mismo Espíritu;
8Den één wordt het woord der wijsheid gegeven door den Geest, den ander het woord der kennis door denzelfden Geest,
9A otro, fe por el mismo Espíritu; y á otro, dones de sanidades por el mismo Espíritu;
9een ander het geloof door denzelfden Geest, een ander de gaven der genezing door den énen Geest.
10A otro, operaciones de milagros; y á otro, profecía; y á otro, discreción de espíritus; y á otro, géneros de lenguas; y á otro, interpretación de lenguas.
10Aan anderen weer het werken van wonderen, of de profetie, of de onderscheiding der geesten, of de veelheid van talen, of de vertolking der talen;
11Mas todas estas cosas obra uno y el mismo Espíritu, repartiendo particularmente á cada uno como quiere.
11maar dit alles werkt één en dezelfde Geest, die ieder toedeelt, zoals het Hem goeddunkt.
12Porque de la manera que el cuerpo es uno, y tiene muchos miembros, empero todos los miembros del cuerpo, siendo muchos, son un cuerpo, así también Cristo.
12Want zoals het lichaam één is, ofschoon het veel leden heeft, en van de andere kant al de leden van het lichaam, hoe talrijk ook, één lichaam vormen, zo ook Christus.
13Porque por un Espíritu somos todos bautizados en un cuerpo, ora Judíos ó Griegos, ora siervos ó libres; y todos hemos bebido de un mismo Espíritu.
13Allen toch, Joden of heidenen, slaven of vrijen, allen zijn we in één Geest tot één lichaam gedoopt, en allen zijn we met één Geest gedrenkt.
14Pues ni tampoco el cuerpo es un miembro, sino muchos.
14Want ook het lichaam bestaat niet uit één lid, maar uit meerdere leden.
15Si dijere el pie: Porque no soy mano, no soy del cuerpo: ¿por eso no será del cuerpo?
15Al zei de voet: omdat ik geen hand ben, behoor ik niet tot het lichaam; toch behoort hij tot het lichaam.
16Y si dijere la oreja: Porque no soy ojo, no soy del cuerpo: ¿por eso no será del cuerpo?
16En al zei het oor: omdat ik geen oog ben, behoor ik niet tot het lichaam; toch behoort het tot het lichaam.
17Si todo el cuerpo fuese ojo, ¿dónde estaría el oído? Si todo fuese oído, ¿dónde estaría el olfato?
17Zo het lichaam één en al oog was, waar bleef het gehoor; was het één en al gehoor, waar bleef dan de reuk?
18Mas ahora Dios ha colocado los miembros cada uno de ellos en el cuerpo, como quiso.
18Maar in werkelijkheid heeft God de leden, elk in het bijzonder, een plaats in het lichaam gegeven, zoals het Hem heeft behaagd.
19Que si todos fueran un miembro, ¿dónde estuviera el cuerpo?
19En van de andere kant, zo alle nu eens één lid vormden, waar bleef dan het lichaam?
20Mas ahora muchos miembros son á la verdad, empero un cuerpo.
20Maar in werkelijkheid zijn er veel leden, doch slechts één lichaam.
21Ni el ojo puede decir á la mano: No te he menester: ni asimismo la cabeza á los pies: No tengo necesidad de vosotros.
21Het oog kan niet tot de hand zeggen: Ik heb u niet nodig; het hoofd niet tot de voeten: Ik heb u niet nodig.
22Antes, mucho más los miembros del cuerpo que parecen más flacos, son necesarios;
22Integendeel, juist de schijnbaar zwakkere leden van het lichaam zijn het meest noodzakelijk;
23Y á aquellos del cuerpo que estimamos ser más viles, á éstos vestimos más honrosamente; y los que en nosotros son menos honestos, tienen más compostura.
23wat ons in het lichaam minder edel toeschijnt, bekleden we met meer luister; en juist onze oneerbare ledematen ontvangen groter kiesheid;
24Porque los que en nosotros son más honestos, no tienen necesidad: mas Dios ordenó el cuerpo, dando más abundante honor al que le faltaba;
24onze eerbare leden hebben dat niet nodig. Ja, God heeft het lichaam zó samengesteld, dat Hij groter eer gaf aan wat misdeeld is,
25Para que no haya desavenencia en el cuerpo, sino que los miembros todos se interesen los unos por los otros.
25opdat er in het lichaam geen tweedracht zou heersen, maar de leden gelijke zorg voor elkaar zouden dragen.
26Por manera que si un miembro padece, todos los miembros á una se duelen; y si un miembro es honrado, todos los miembros á una se gozan.
26En wanneer één lid lijdt, lijden alle leden mee; komt één lid in aanzien, alle leden delen in zijn vreugde.
27Pues vosotros sois el cuerpo de Cristo, y miembros en parte.
27Welnu, gij zijt het lichaam van Christus, en ieder in het bijzonder zijn leden.
28Y á unos puso Dios en la iglesia, primeramente apóstoles, luego profetas, lo tercero doctores; luego facultades; luego dones de sanidades, ayudas, gobernaciones, géneros de lenguas.
28En in de Kerk heeft God den één aangesteld tot apostel, een ander tot profeet, een derde tot leraar; dan komen de wonderen, dan de gaven der genezing, hulpbetoon, bestuur, de veelheid van talen.
29¿Son todos apóstoles? ¿son todos profetas? ¿todos doctores? ¿todos facultades?
29Zijn allen soms apostelen? Allen profeten? Allen leraars?
30¿Tienen todos dones de sanidad? ¿hablan todos lenguas? ¿interpretan todos?
30Hebben allen de wondermacht, allen de gaven der genezing? Spreken allen in talen, vertolken allen?
31Empero procurad los mejores dones: mas aun yo os muestro un camino más excelente.
31Gij hunkert naar de hoogste gaven? Ik wijs u een weg, die nog veel hoger ligt.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.