Přísloví 5
Kralice Bible (1613)Translation
Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Synu můj, pozoruj moudrosti mé, k opatrnosti mé nakloň ucha svého,
1Mijn zoon, schenk uw aandacht aan mijn wijsheid, Neig uw oor tot mijn inzicht;
2Abys ostříhal prozřetelnosti, a rtové tvoji šetřili umění.
2Dat overleg en ervaring u mogen behoeden, En u bewaren voor de lippen van een vreemde vrouw.
3Nebo rtové cizí ženy strdí tekou, a měkčejší nad olej ústa její.
3Want al druipen de lippen der vreemde van honing, En is haar gehemelte gladder dan olie,
4Poslední pak věci její hořké jsou jako pelyněk, ostré jako meč na obě straně ostrý.
4Ten slotte is zij bitter als alsem, En scherp als een tweesnijdend zwaard.
5Nohy její sstupují k smrti, krokové její hrob uchvacují.
5Haar voeten dalen af naar de dood, Tot de onderwereld leiden haar schreden;
6Stezku života snad bys zvážiti chtěl? Vrtkéť jsou cesty její, neseznáš.
6Ze bakent de weg des levens niet af, Maar haar paden kronkelen ongemerkt!
7Protož, synové, poslechněte mne, a neodstupujte od řečí úst mých.
7Welnu dan kinderen, luistert naar mij, Keert u niet af van mijn woorden.
8Vzdal od ní cestu svou, a nepřibližuj se ke dveřím domu jejího,
8Houd uw weg verre van haar, Nader niet tot de deur van haar huis:
9Abys snad nedal jiným slávy své, a let svých ukrutnému,
9Anders moet ge aan anderen uw frisheid afstaan, Uw jaren offeren aan een ongenadig mens
10Aby se nenasytili cizí úsilím tvým, a práce tvá nezůstala v domě cizím.
10Verrijken zich vreemden met uw vermogen, En komt uw zuurverdiend loon in het huis van een ander.
11I řval bys naposledy, když bys zhubil tělo své a čerstvost svou,
11Dan slaat ge ten slotte aan ‘t jammeren, En moet ge, als heel uw lichaam op is, bekennen:
12A řekl bys: Jak jsem nenáviděl cvičení, a domlouváním pohrdalo srdce mé,
12Hoe heb ik toch de tucht kunnen haten, En de vermaning in de wind kunnen slaan?
13A neposlouchal jsem hlasu vyučujících mne, a k učitelům svým nenaklonil jsem ucha svého!
13Waarom heb ik niet geluisterd naar hen, die mij onderwezen, Geen aandacht geschonken aan hen, die mij leerden?
14O málo, že jsem nevlezl ve všecko zlé u prostřed shromáždění a zástupu.
14Nu hebben mij haast alle rampen getroffen Midden in de kring van mijn volk!
15Pí vodu z čisterny své, a prameny z prostředku vrchoviště svého.
15Drink water uit uw eigen bron, Een koele dronk uit uw eigen put
16Nechť se rozlévají studnice tvé ven, a potůčkové vod na ulice.
16Zoudt ge úw wellen over de rand laten stromen, Uw watergolven over de straten?
17Měj je sám sobě, a ne cizí s tebou.
17Néén, u alleen behoren zij toe, Niet aan vreemden nevens u.
18Budiž požehnaný pramen tvůj, a vesel se z manželky mladosti své.
18Houd dus uw bron voor u zelf, En geniet van de vrouw uwer jeugd:
19Laně milostné a srny utěšené; prsy její ať tě opojují všelikého času, v milování jejím kochej se ustavičně.
19Die aanminnige hinde, Die bevallige gems; Haar borsten mogen u ten allen tijde bevredigen. Aan haar liefde moogt ge u voortdurend bedwelmen.
20Nebo proč bys se kochal, synu můj, v cizí, a objímal život postranní,
20Waarom, mijn zoon, zoudt ge u aan een vreemde te buiten gaan, De boezem strelen van een onbekende?
21Poněvadž před očima Hospodinovýma jsou cesty člověka, a on všecky stezky jeho váží?
21Voor de ogen van Jahweh liggen de wegen van iedereen open, Hij let op de paden van allen:
22Nepravosti vlastní jímají bezbožníka takového, a v provazích hříchu svého uvázne.
22De boze wordt in zijn eigen wandaden verstrikt, In de banden van zijn zonden gevangen;
23Takovýť umře, proto že nepřijímal cvičení, a ve množství bláznovství svého blouditi bude.
23Zijn losbandigheid brengt hem om het leven, Door zijn vele dwaasheden komt hij om.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.