Přísloví
Chapter 26
Kralice Bible (1613)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Přísloví 26

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Jako sníh v létě, a jako déšť ve žni, tak nepřipadá na blázna čest.
1Als sneeuw bij zomer, en regen bij oogst: Zo slecht past eerbetoon bij een dwaas.
2Jako vrabec přenáší se, a vlaštovice létá, tak zlořečení bez příčiny nedojde.
2Als een vogel, die fladdert, en een zwaluw, die vliegt: Zo is een onverdiende verwensing; zij treft geen doel.
3Bič na koně, uzda na osla, a kyj na hřbet blázna.
3Voor het paard een zweep, voor den ezel een toom, Voor de rug der dwazen een stok.
4Neodpovídej bláznu podlé bláznovství jeho, abys i ty jemu nebyl podobný.
4Antwoord een dwaas niet naar zijn dwaasheid, Anders mocht ge zelf eens op hem lijken.
5Odpověz bláznu podlé bláznovství jeho, aby sám u sebe nebyl moudrý.
5Antwoord een dwaas naar zijn dwaasheid, Anders denkt hij nog, dat hij wijs is
6Jako by nohy osekal, bezpráví se dopouští ten, kdož svěřuje poselství bláznu.
6Men snijdt zich de voeten af en mishandelt zichzelf, Wie een dwaas een boodschap laat doen.
7Jakož nejednostejní jsou hnátové kulhavého, tak řeč v ústech bláznů.
7Voor een lamme hebben zijn benen geen nut; Zo is het met een spreuk in de mond van dwazen.
8Jako vložiti kámen do praku, tak jest, když kdo ctí blázna.
8Als iemand, die een kei bij een edelsteen legt, Is hij, die eerbetoon schenkt aan een dwaas
9Trn, kterýž se dostává do rukou opilého, jest přísloví v ústech bláznů.
9Als een doornstok in de hand van een dronkaard, Is een spreuk in de mond van dwazen.
10Veliký pán stvořil všecko, a dává odplatu bláznu, i odměnu přestupníkům.
10Als een schutter, die alle voorbijgangers verwondt, Is hij, die een dwaas en een dronkaard in dienst neemt.
11Jakož pes navracuje se k vývratku svému, tak blázen opětuje bláznovství své.
11Als een hond, die naar zijn braaksel terugkeert, Is een dwaas, die zijn dwaasheid herhaalt.
12Spatřil-li bys člověka, an jest moudrý sám u sebe, naděje o bláznu lepší jest než o takovém.
12Als ge iemand ziet, die meent dat hij wijs is: Dan is er meer hoop voor een dwaas dan voor hem.
13Říká lenoch: Lev lítý jest na cestě, lev jest v ulici.
13De luiaard zegt: “Er loopt een wild beest op de weg, Er is een leeuw in de straten!”
14Dvéře se obracejí na stežejích svých, a lenoch na lůži svém.
14Zoals een deur draait op haar hengsels, Zo draait een luiaard zich om in zijn bed.
15Schovává lenivý ruku svou za ňadra; těžko mu vztáhnouti ji k ústům svým.
15Al heeft een luiaard zijn hand in de schotel gestoken, Hij is nog te traag, om haar naar de mond te brengen.
16Moudřejší jest lenivý u sebe sám, nežli sedm odpovídajících s soudem.
16Een luiaard denkt, dat hij wijzer is Dan zeven mensen, die verstandige antwoorden geven.
17Psa za uši lapá, kdož odcházeje, hněvá se ne v své při.
17Als iemand, die een hond bij zijn staart pakt, Is hij, die zich bemoeit met een twist, die hem niet raakt.
18Jako nesmyslný vypouští jiskry a šípy smrtelné,
18Als iemand, die als een dolleman Dodelijke fakkels en pijlen wegslingert,
19Tak jest každý, kdož oklamává bližního, a říká: Zdaž jsem nežertoval?
19Zo is de man, die zijn naaste bedriegt, En dan zegt: Ik deed het maar voor de grap!
20Když není drev, hasne oheň; tak když nebude klevetníka, utichne svár.
20Bij gebrek aan hout gaat het vuur uit; Waar geen lastertong is, bedaart de twist.
21Uhel mrtvý k roznícení, a drva k ohni, tak člověk svárlivý k roznícení svady.
21Een blaasbalg bij gloeiende kolen, en hout op het vuur: Zo is een twistziek mens bij het ruziestoken.
22Slova utrhače jako ubitých, ale však sstupují do vnitřností života.
22De woorden van een lastertong zijn als lekkernijen, Ze glijden af naar het diepst van de maag.
23Stříbrná trůska roztažená po střepě jsou rtové protivní a srdce zlé.
23Als een aarden pot, met zilverglazuur overtrokken, Zijn vleiende woorden, als het hart ze niet meent.
24Rty svými za jiného se staví ten, jenž nenávidí, ale u vnitřnosti své skládá lest.
24De vijand veinst met zijn lippen, Maar innerlijk bergt hij bedrog.
25Když se ochotný ukáže řečí svou, nevěř mu; nebo sedmera ohavnost jest v srdci jeho.
25Al spreekt hij vriendelijk, vertrouw hem niet; Want zeven gruwelen zijn in zijn hart.
26Přikrývána bývá nenávist chytře, ale zlost její zjevena bývá v shromáždění.
26Al weet iemand zijn haat bedriegelijk te verbergen, Zijn slechtheid komt in de vergadering aan het licht.
27Kdo jámu kopá, do ní upadá, a kdo valí kámen, na něj se obrací.
27Wie een kuil graaft, valt er zelf in; Wie een steen voortwentelt, op hem rolt die terug.
28Èlověk jazyka ošemetného v nenávisti má ponížené, a ústy úlisnými způsobuje pád.
28Een leugentong haat oprechtheid, Een gladde tong verwekt onrust.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.