Proverbiorum 26
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Quomodo nix in æstate, et pluviæ in messe, sic indecens est stulto gloria.
1Als sneeuw bij zomer, en regen bij oogst: Zo slecht past eerbetoon bij een dwaas.
2Sicut avis ad alia transvolans, et passer quolibet vadens, sic maledictum frustra prolatum in quempiam superveniet.
2Als een vogel, die fladdert, en een zwaluw, die vliegt: Zo is een onverdiende verwensing; zij treft geen doel.
3Flagellum equo, et camus asino, et virga in dorso imprudentium.
3Voor het paard een zweep, voor den ezel een toom, Voor de rug der dwazen een stok.
4Ne respondeas stulto juxta stultitiam suam, ne efficiaris ei similis.
4Antwoord een dwaas niet naar zijn dwaasheid, Anders mocht ge zelf eens op hem lijken.
5Responde stulto juxta stultitiam suam, ne sibi sapiens esse videatur.
5Antwoord een dwaas naar zijn dwaasheid, Anders denkt hij nog, dat hij wijs is
6Claudus pedibus, et iniquitatem bibens, qui mittit verba per nuntium stultum.
6Men snijdt zich de voeten af en mishandelt zichzelf, Wie een dwaas een boodschap laat doen.
7Quomodo pulchras frustra habet claudus tibias, sic indecens est in ore stultorum parabola.
7Voor een lamme hebben zijn benen geen nut; Zo is het met een spreuk in de mond van dwazen.
8Sicut qui mittit lapidem in acervum Mercurii, ita qui tribuit insipienti honorem.
8Als iemand, die een kei bij een edelsteen legt, Is hij, die eerbetoon schenkt aan een dwaas
9Quomodo si spina nascatur in manu temulenti, sic parabola in ore stultorum.
9Als een doornstok in de hand van een dronkaard, Is een spreuk in de mond van dwazen.
10Judicium determinat causas, et qui imponit stulto silentium iras mitigat.
10Als een schutter, die alle voorbijgangers verwondt, Is hij, die een dwaas en een dronkaard in dienst neemt.
11Sicut canis qui revertitur ad vomitum suum, sic imprudens qui iterat stultitiam suam.
11Als een hond, die naar zijn braaksel terugkeert, Is een dwaas, die zijn dwaasheid herhaalt.
12Vidisti hominem sapientem sibi videri? magis illo spem habebit insipiens.]
12Als ge iemand ziet, die meent dat hij wijs is: Dan is er meer hoop voor een dwaas dan voor hem.
13[Dicit piger: Leo est in via, et leæna in itineribus.
13De luiaard zegt: “Er loopt een wild beest op de weg, Er is een leeuw in de straten!”
14Sicut ostium vertitur in cardine suo, ita piger in lectulo suo.
14Zoals een deur draait op haar hengsels, Zo draait een luiaard zich om in zijn bed.
15Abscondit piger manum sub ascella sua, et laborat si ad os suum eam converterit.
15Al heeft een luiaard zijn hand in de schotel gestoken, Hij is nog te traag, om haar naar de mond te brengen.
16Sapientior sibi piger videtur septem viris loquentibus sententias.]
16Een luiaard denkt, dat hij wijzer is Dan zeven mensen, die verstandige antwoorden geven.
17[Sicut qui apprehendit auribus canem, sic qui transit impatiens et commiscetur rixæ alterius.
17Als iemand, die een hond bij zijn staart pakt, Is hij, die zich bemoeit met een twist, die hem niet raakt.
18Sicut noxius est qui mittit sagittas et lanceas in mortem,
18Als iemand, die als een dolleman Dodelijke fakkels en pijlen wegslingert,
19ita vir fraudulenter nocet amico suo, et cum fuerit deprehensus dicit: Ludens feci.
19Zo is de man, die zijn naaste bedriegt, En dan zegt: Ik deed het maar voor de grap!
20Cum defecerint ligna extinguetur ignis, et susurrone subtracto, jurgia conquiescent.
20Bij gebrek aan hout gaat het vuur uit; Waar geen lastertong is, bedaart de twist.
21Sicut carbones ad prunas, et ligna ad ignem, sic homo iracundus suscitat rixas.
21Een blaasbalg bij gloeiende kolen, en hout op het vuur: Zo is een twistziek mens bij het ruziestoken.
22Verba susurronis quasi simplicia, et ipsa perveniunt ad intima ventris.
22De woorden van een lastertong zijn als lekkernijen, Ze glijden af naar het diepst van de maag.
23Quomodo si argento sordido ornare velis vas fictile, sic labia tumentia cum pessimo corde sociata.
23Als een aarden pot, met zilverglazuur overtrokken, Zijn vleiende woorden, als het hart ze niet meent.
24Labiis suis intelligitur inimicus, cum in corde tractaverit dolos.
24De vijand veinst met zijn lippen, Maar innerlijk bergt hij bedrog.
25Quando submiserit vocem suam, ne credideris ei, quoniam septem nequitiæ sunt in corde illius.
25Al spreekt hij vriendelijk, vertrouw hem niet; Want zeven gruwelen zijn in zijn hart.
26Qui operit odium fraudulenter, revelabitur malitia ejus in consilio.
26Al weet iemand zijn haat bedriegelijk te verbergen, Zijn slechtheid komt in de vergadering aan het licht.
27Qui fodit foveam incidet in eam, et qui volvit lapidem revertetur ad eum.
27Wie een kuil graaft, valt er zelf in; Wie een steen voortwentelt, op hem rolt die terug.
28Lingua fallax non amat veritatem, et os lubricum operatur ruinas.]
28Een leugentong haat oprechtheid, Een gladde tong verwekt onrust.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.