Proverbiorum 27
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Ne glorieris in crastinum, ignorans quid superventura pariat dies.
1Wil de dag van morgen niet prijzen: Ge weet niet, wat hij u brengt.
2Laudet te alienus, et non os tuum; extraneus, et non labia tua.
2Laat een ander u prijzen, niet uw eigen mond; Een vreemde, niet uw eigen lippen.
3Grave est saxum, et onerosa arena, sed ira stulti utroque gravior.
3Plomp is een steen, en zwaar het zand; Zwaarder dan beide is het humeur van een dwaas.
4Ira non habet misericordiam nec erumpens furor, et impetum concitati ferre quis poterit?
4Wreed is de wraak, een stortvloed de toorn; Maar wie houdt het uit voor de jaloezie?
5Melior est manifesta correptio quam amor absconditus.
5Beter een terechtwijzing in het openbaar, Dan liefde, die zich niet uit.
6Meliora sunt vulnera diligentis quam fraudulenta oscula odientis.
6Goed bedoeld zijn de wonden, door een vriend geslagen; Verraderlijk de kussen van een vijand.
7Anima saturata calcabit favum, et anima esuriens etiam amarum pro dulci sumet.
7Iemand die genoeg heeft, geeft niet om honing; Als iemand honger heeft, is al het bittere zoet.
8Sicut avis transmigrans de nido suo, sic vir qui derelinquit locum suum.
8Als een vogel, die uit het nest fladdert, Zo is een man, die rondzwerft ver van zijn huis.
9Unguento et variis odoribus delectatur cor, et bonis amici consiliis anima dulcoratur.]
9Olie en wierook verheugen het hart; De raad van een vriend verblijdt de ziel.
10[Amicum tuum et amicum patris tui ne dimiseris, et domum fratris tui ne ingrediaris in die afflictionis tuæ. Melior est vicinus juxta quam frater procul.
10Laat uw eigen vriend en dien van uw vader niet in de steek; Maar betreed niet het huis van uw broeder, als het u slecht gaat, Beter een vriend dichtbij. Dan een broer veraf.
11Stude sapientiæ, fili mi, et lætifica cor meum, ut possis exprobranti respondere sermonem.
11Mijn zoon, wees wijs, en verblijd mijn hart; Dan kan ik te woord staan hem, die mij hoont.
12Astutus videns malum, absconditus est: parvuli transeuntes sustinuerunt dispendia.
12De wijze ziet onheil en trekt zich terug; De onnozelen lopen door, en moeten ervoor boeten.
13Tolle vestimentum ejus qui spopondit pro extraneo, et pro alienis aufer ei pignus.
13Ontneem hem zijn kleed, want hij bleef borg voor een ander; Eis pand van hem terwille van een vreemde vrouw.
14Qui benedicit proximo suo voce grandi, de nocte consurgens maledicenti similis erit.
14Als iemand zijn naaste op de vroege morgen luidruchtig begroet, Dan wordt het als een vloek beschouwd
15Tecta perstillantia in die frigoris et litigiosa mulier comparantur.
15Een gestadig druppelend lek op een stortregen-dag, En een snibbige vrouw, ze gelijken op elkaar.
16Qui retinet eam quasi qui ventum teneat, et oleum dexteræ suæ vocabit.
16De noordenwind is een ruwe wind, Toch wordt hij geluksbode genoemd
17Ferrum ferro exacuitur, et homo exacuit faciem amici sui.
17Zoals ijzer ijzer scherpt, Zo scherpt de ene mens den ander.
18Qui servat ficum comedet fructus ejus, et qui custos est domini sui glorificabitur.
18Wie op zijn vijgeboom past, zal zijn vruchten eten; Wie voor zijn meester zorgt, wordt rijk beloond.
19Quomodo in aquis resplendent vultus prospicientium, sic corda hominum manifesta sunt prudentibus.
19Zoals het ene gezicht op het andere lijkt, Zo lijkt ook het ene mensenhart op het andere.
20Infernus et perditio numquam implentur: similiter et oculi hominum insatiabiles.
20Dodenrijk en onderwereld krijgen nooit genoeg; De ogen der mensen zijn nimmer bevredigd.
21Quomodo probatur in conflatorio argentum et in fornace aurum, sic probatur homo ore laudantis. Cor iniqui inquirit mala, cor autem rectum inquirit scientiam.
21Voor het zilver de smeltkroes, de oven voor het goud: De mens wordt beproefd naar zijn goede naam.
22Si contuderis stultum in pila quasi ptisanas feriente desuper pilo, non auferetur ab eo stultitia ejus.]
22Al stampt ge den dwaas in een vijzel, Tussen de gerstekorrels met een stamper: Ge krijgt er zijn dwaasheid niet uit.
23[Diligenter agnosce vultum pecoris tui, tuosque greges considera:
23Let goed op, hoe uw schapen eruit zien, En volg uw kudde met aandacht;
24non enim habebis jugiter potestatem, sed corona tribuetur in generationem et generationem.
24Want welvaart duurt niet eeuwig, Een schat niet van geslacht op geslacht.
25Aperta sunt prata, et apparuerunt herbæ virentes, et collecta sunt fœna de montibus.
25Als het hooi binnen is, de nawas verschijnt, En het groen der bergweide wordt ingezameld,
26Agni ad vestimentum tuum, et hædi ad agri pretium.
26Dan verschaffen de lammeren u kleding, De bokken u de prijs van een akker;
27Sufficiat tibi lac caprarum in cibos tuos, et in necessaria domus tuæ, et ad victum ancillis tuis.]
27Dan is er geitenmelk genoeg tot voedsel van u en uw gezin, En levensonderhoud voor uw dienstboden.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.