Proverbs 27
Berean Standard BibleTranslation
Berean Standard Bible
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Do not boast about tomorrow, for you do not know what a day may bring.
1Wil de dag van morgen niet prijzen: Ge weet niet, wat hij u brengt.
2Let another praise you, and not your own mouth— a stranger, and not your own lips.
2Laat een ander u prijzen, niet uw eigen mond; Een vreemde, niet uw eigen lippen.
3A stone is heavy and sand is a burden, but aggravation from a fool outweighs them both.
3Plomp is een steen, en zwaar het zand; Zwaarder dan beide is het humeur van een dwaas.
4Wrath is cruel and anger is like a flood, but who can withstand jealousy?
4Wreed is de wraak, een stortvloed de toorn; Maar wie houdt het uit voor de jaloezie?
5Better an open rebuke than love that is concealed.
5Beter een terechtwijzing in het openbaar, Dan liefde, die zich niet uit.
6The wounds of a friend are faithful, but the kisses of an enemy are deceitful.
6Goed bedoeld zijn de wonden, door een vriend geslagen; Verraderlijk de kussen van een vijand.
7The soul that is full loathes honey, but to a hungry soul, any bitter thing is sweet.
7Iemand die genoeg heeft, geeft niet om honing; Als iemand honger heeft, is al het bittere zoet.
8Like a bird that strays from its nest is a man who wanders from his home.
8Als een vogel, die uit het nest fladdert, Zo is een man, die rondzwerft ver van zijn huis.
9Oil and incense bring joy to the heart, and the sweetness of a friend is counsel to the soul.
9Olie en wierook verheugen het hart; De raad van een vriend verblijdt de ziel.
10Do not forsake your friend or your father’s friend, and do not go to your brother’s house in the day of your calamity; better a neighbor nearby than a brother far away.
10Laat uw eigen vriend en dien van uw vader niet in de steek; Maar betreed niet het huis van uw broeder, als het u slecht gaat, Beter een vriend dichtbij. Dan een broer veraf.
11Be wise, my son, and bring joy to my heart, so that I can answer him who taunts me.
11Mijn zoon, wees wijs, en verblijd mijn hart; Dan kan ik te woord staan hem, die mij hoont.
12The prudent see danger and take cover; but the simple keep going and pay the penalty.
12De wijze ziet onheil en trekt zich terug; De onnozelen lopen door, en moeten ervoor boeten.
13Take the garment of him who posts security for a stranger; get collateral if it is for a foreigner.
13Ontneem hem zijn kleed, want hij bleef borg voor een ander; Eis pand van hem terwille van een vreemde vrouw.
14If one blesses his neighbor with a loud voice early in the morning, it will be counted to him as a curse.
14Als iemand zijn naaste op de vroege morgen luidruchtig begroet, Dan wordt het als een vloek beschouwd
15A constant dripping on a rainy day and a contentious woman are alike—
15Een gestadig druppelend lek op een stortregen-dag, En een snibbige vrouw, ze gelijken op elkaar.
16restraining her is like holding back the wind or grasping oil with one’s right hand.
16De noordenwind is een ruwe wind, Toch wordt hij geluksbode genoemd
17As iron sharpens iron, so one man sharpens another.
17Zoals ijzer ijzer scherpt, Zo scherpt de ene mens den ander.
18Whoever tends a fig tree will eat its fruit, and he who looks after his master will be honored.
18Wie op zijn vijgeboom past, zal zijn vruchten eten; Wie voor zijn meester zorgt, wordt rijk beloond.
19As water reflects the face, so the heart reflects the true man.
19Zoals het ene gezicht op het andere lijkt, Zo lijkt ook het ene mensenhart op het andere.
20Sheol and Abaddon are never satisfied; so the eyes of man are never satisfied.
20Dodenrijk en onderwereld krijgen nooit genoeg; De ogen der mensen zijn nimmer bevredigd.
21A crucible for silver and a furnace for gold, but a man is tested by the praise accorded him.
21Voor het zilver de smeltkroes, de oven voor het goud: De mens wordt beproefd naar zijn goede naam.
22Though you grind a fool like grain with mortar and a pestle, yet his folly will not depart from him.
22Al stampt ge den dwaas in een vijzel, Tussen de gerstekorrels met een stamper: Ge krijgt er zijn dwaasheid niet uit.
23Be sure to know the state of your flocks, and pay close attention to your herds;
23Let goed op, hoe uw schapen eruit zien, En volg uw kudde met aandacht;
24for riches are not forever, nor does a crown endure to every generation.
24Want welvaart duurt niet eeuwig, Een schat niet van geslacht op geslacht.
25When hay is removed and new growth appears and the grain from the hills is gathered,
25Als het hooi binnen is, de nawas verschijnt, En het groen der bergweide wordt ingezameld,
26the lambs will provide you with clothing, and the goats with the price of a field.
26Dan verschaffen de lammeren u kleding, De bokken u de prijs van een akker;
27You will have plenty of goats’ milk to feed you— food for your household and nourishment for your maidservants.
27Dan is er geitenmelk genoeg tot voedsel van u en uw gezin, En levensonderhoud voor uw dienstboden.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.