Proverbios 27
Reina-Valera 1909Translation
Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1NO te jactes del día de mañana; porque no sabes qué dará de sí el día.
1Wil de dag van morgen niet prijzen: Ge weet niet, wat hij u brengt.
2Alábete el extraño, y no tu boca; el ajeno, y no tus labios.
2Laat een ander u prijzen, niet uw eigen mond; Een vreemde, niet uw eigen lippen.
3Pesada es la piedra, y la arena pesa; mas la ira del necio es más pesada que ambas cosas.
3Plomp is een steen, en zwaar het zand; Zwaarder dan beide is het humeur van een dwaas.
4Cruel es la ira, é impetuoso el furor; mas ¿quién parará delante de la envidia?
4Wreed is de wraak, een stortvloed de toorn; Maar wie houdt het uit voor de jaloezie?
5Mejor es reprensión manifiesta que amor oculto.
5Beter een terechtwijzing in het openbaar, Dan liefde, die zich niet uit.
6Fieles son las heridas del que ama; pero importunos los besos del que aborrece.
6Goed bedoeld zijn de wonden, door een vriend geslagen; Verraderlijk de kussen van een vijand.
7El alma harta huella el panal de miel; mas al alma hambrienta todo lo amargo es dulce.
7Iemand die genoeg heeft, geeft niet om honing; Als iemand honger heeft, is al het bittere zoet.
8Cual ave que se va de su nido, tal es el hombre que se va de su lugar.
8Als een vogel, die uit het nest fladdert, Zo is een man, die rondzwerft ver van zijn huis.
9El ungüento y el perfume alegran el corazón: y el amigo al hombre con el cordial consejo.
9Olie en wierook verheugen het hart; De raad van een vriend verblijdt de ziel.
10No dejes á tu amigo, ni al amigo de tu padre; ni entres en casa de tu hermano el día de tu aflicción: mejor es el vecino cerca que el hermano lejano.
10Laat uw eigen vriend en dien van uw vader niet in de steek; Maar betreed niet het huis van uw broeder, als het u slecht gaat, Beter een vriend dichtbij. Dan een broer veraf.
11Sé sabio, hijo mío, y alegra mi corazón, y tendré qué responder al que me deshonrare.
11Mijn zoon, wees wijs, en verblijd mijn hart; Dan kan ik te woord staan hem, die mij hoont.
12El avisado ve el mal, y escóndese; mas los simples pasan, y llevan el daño.
12De wijze ziet onheil en trekt zich terug; De onnozelen lopen door, en moeten ervoor boeten.
13Quítale su ropa al que fió al extraño; y al que fió á la extraña, tómale prenda.
13Ontneem hem zijn kleed, want hij bleef borg voor een ander; Eis pand van hem terwille van een vreemde vrouw.
14El que bendice á su amigo en alta voz, madrugando de mañana, por maldición se le contará.
14Als iemand zijn naaste op de vroege morgen luidruchtig begroet, Dan wordt het als een vloek beschouwd
15Gotera continua en tiempo de lluvia, y la mujer rencillosa, son semejantes:
15Een gestadig druppelend lek op een stortregen-dag, En een snibbige vrouw, ze gelijken op elkaar.
16El que pretende contenerla, arresta el viento: ó el aceite en su mano derecha.
16De noordenwind is een ruwe wind, Toch wordt hij geluksbode genoemd
17Hierro con hierro se aguza; y el hombre aguza el rostro de su amigo.
17Zoals ijzer ijzer scherpt, Zo scherpt de ene mens den ander.
18El que guarda la higuera, comerá su fruto; y el que guarda á su señor, será honrado.
18Wie op zijn vijgeboom past, zal zijn vruchten eten; Wie voor zijn meester zorgt, wordt rijk beloond.
19Como un agua se parece á otra, así el corazón del hombre al otro.
19Zoals het ene gezicht op het andere lijkt, Zo lijkt ook het ene mensenhart op het andere.
20El sepulcro y la perdición nunca se hartan: así los ojos del hombre nunca están satisfechos.
20Dodenrijk en onderwereld krijgen nooit genoeg; De ogen der mensen zijn nimmer bevredigd.
21El crisol prueba la plata, y la hornaza el oro: y al hombre la boca del que lo alaba.
21Voor het zilver de smeltkroes, de oven voor het goud: De mens wordt beproefd naar zijn goede naam.
22Aunque majes al necio en un mortero entre granos de trigo á pisón majados, no se quitará de él su necedad.
22Al stampt ge den dwaas in een vijzel, Tussen de gerstekorrels met een stamper: Ge krijgt er zijn dwaasheid niet uit.
23Considera atentamente el aspecto de tus ovejas; pon tu corazón á tus rebaños:
23Let goed op, hoe uw schapen eruit zien, En volg uw kudde met aandacht;
24Porque las riquezas no son para siempre; ¿y será la corona para perpetuas generaciones?
24Want welvaart duurt niet eeuwig, Een schat niet van geslacht op geslacht.
25Saldrá la grama, aparecerá la hierba, y segaránse las hierbas de los montes.
25Als het hooi binnen is, de nawas verschijnt, En het groen der bergweide wordt ingezameld,
26Los corderos para tus vestidos, y los cabritos para el precio del campo:
26Dan verschaffen de lammeren u kleding, De bokken u de prijs van een akker;
27Y abundancia de leche de las cabras para tu mantenimiento, y para mantenimiento de tu casa, y para sustento de tus criadas.
27Dan is er geitenmelk genoeg tot voedsel van u en uw gezin, En levensonderhoud voor uw dienstboden.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.