Proverbios
Chapter 11
Reina-Valera 1909
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Proverbios 11

Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1EL peso falso abominación es á Jehová: mas la pesa cabal le agrada.
1Van een valse weegschaal heeft Jahweh een afschuw, Hij houdt van een zuiver gewicht.
2Cuando viene la soberbia, viene también la deshonra: mas con los humildes es la sabiduría.
2Komt de overmoed, dan komt ook de schande; Alleen bij ootmoedigen is wijsheid.
3La integridad de los rectos los encaminará: mas destruirá á los pecadores la perversidad de ellos.
3De vromen worden door hun deugd geleid; Hun eigen valsheid stort de zondaars in het verderf.
4No aprovecharán las riquezas en el día de la ira: mas la justicia librará de muerte.
4Op de dag van gramschap kan rijkdom niet baten, Alleen de rechtvaardigheid redt van de dood.
5La justicia del perfecto enderezará su camino: mas el impío por su impiedad caerá.
5De weg van den rechtvaardige wordt door zijn deugd geëffend, Maar de boze komt door zijn boosheid ten val.
6La justicia de los rectos los librará: mas los pecadores en su pecado serán presos.
6De rechtvaardigen worden door hun deugd gered, Maar de zondaars lopen door hun begeerlijkheid in de val.
7Cuando muere el hombre impío, perece su esperanza; y la espectativa de los malos perecerá.
7Als een boosdoener sterft, vervliegt zijn hoop; De verwachting der zondaars loopt uit op niets
8El justo es librado de la tribulación: mas el impío viene en lugar suyo.
8De rechtvaardige wordt uit de verdrukking gered, En de boze komt in zijn plaats.
9El hipócrita con la boca daña á su prójimo: mas los justos son librados con la sabiduría.
9Met zijn mond tracht de onverlaat zijn naaste te gronde te richten, Maar door hun kennis worden de rechtvaardigen gered.
10En el bien de los justos la ciudad se alegra: mas cuando los impíos perecen, hay fiestas.
10Om de voorspoed der rechtvaardigen jubelt de stad, Maar er wordt gejuicht bij de ondergang der bozen.
11Por la bendición de los rectos la ciudad será engrandecida: mas por la boca de los impíos ella será trastornada.
11Door de zegenbeden der deugdzamen komt een stad tot bloei, Door de mond der bozen wordt ze verwoest.
12El que carece de entendimiento, menosprecia á su prójimo: mas el hombre prudente calla.
12Een onverstandig mens smaalt op zijn naaste, Een man van inzicht zwijgt.
13El que anda en chismes, descubre el secreto: mas el de espíritu fiel encubre la cosa.
13Wie lasterend rondgaat, verraadt licht een geheim; Een betrouwbaar karakter houdt de zaak vóór zich.
14Cuando faltaren las industrias, caerá el pueblo: mas en la multitud de consejeros hay salud.
14Bij gebrek aan overleg komt een volk ten val, De redding berust op veel beraad.
15Con ansiedad será afligido el que fiare al extraño: mas el que aborreciere las fianzas vivirá confiado.
15Slecht vergaat het hem, die borg blijft voor een vreemde; Maar wie de handslag mijdt, leeft gerust.
16La mujer graciosa tendrá honra: y los fuertes tendrán riquezas.
16Een lieve vrouw dwingt eerbied af; Maar een vrouw, die oprechtheid haat, is een schandvlek. De luiaards krijgen geen vermogen Stoere werkers geraken tot welstand.
17A su alma hace bien el hombre misericordioso: mas el cruel atormenta su carne.
17Een vriendelijk mens doet zich zelven goed, Een wreedaard kwelt zijn eigen vlees.
18El impío hace obra falsa: mas el que sembrare justicia, tendrá galardón firme.
18Een boze maakt winst, die niet gedijt; Maar wie gerechtigheid zaait, oogst waarachtig gewin.
19Como la justicia es para vida, así el que sigue el mal es para su muerte.
19Een deugdzaam mens gaat ten leven; Maar wie het kwade najaagt, zoekt zijn eigen dood.
20Abominación son á Jehová los perversos de corazón: mas los perfectos de camino le son agradables.
20Jahweh heeft een afschuw van valse karakters, Maar welbehagen in hen, die onberispelijk wandelen.
21Aunque llegue la mano á la mano, el malo no quedará sin castigo: mas la simiente de los justos escapará.
21De hand erop: een boze zal zijn straf niet ontlopen, Maar het geslacht der rechtvaardigen wordt behouden.
22Zarcillo de oro en la nariz del puerco, es la mujer hermosa y apartada de razón.
22Een gouden ring in een varkenssnuit, Is een knappe vrouw, die geen hersens heeft.
23El deseo de los justos es solamente bien: mas la esperanza de los impíos es enojo.
23De wens der rechtvaardigen loopt uit op geluk, De verwachting der bozen op toorn.
24Hay quienes reparten, y les es añadido más: y hay quienes son escasos más de lo que es justo, mas vienen á pobreza.
24Er zijn mensen, die maar uitdelen, en nòg worden ze rijker; Anderen, die maar oppotten, en ze gaan achteruit.
25El alma liberal será engordada: y el que saciare, él también será saciado.
25Iemand, die weldoet, wordt welgedaan; En wie iemand te drinken geeft, zal worden gelaafd.
26Al que retiene el grano, el pueblo lo maldecirá: mas bendición será sobre la cabeza del que vende.
26Wie het koren inhoudt, wordt door het volk verwenst, Maar een zegenbede daalt op het hoofd van wie het verkoopt.
27El que madruga al bien, buscará favor: mas el que busca el mal, vendrále.
27Wie naar het goede streeft, vindt welbehagen; Wie het kwaad najaagt, hem zal het treffen.
28El que confía en sus riquezas, caerá: mas los justos reverdecerán como ramos.
28Wie op rijkdom vertrouwt, zal verwelken; Maar de rechtvaardigen botten als bladeren uit.
29El que turba su casa heredará viento; y el necio será siervo del sabio de corazón.
29Wie zijn huis verwaarloost, oogst storm; Een dwaas wordt slaaf van een verstandig mens.
30El fruto del justo es árbol de vida: y el que prende almas, es sabio.
30De vrucht der gerechtigheid is een levensboom, Het onrecht echter verwoest mensenlevens.
31Ciertamente el justo será pagado en la tierra: ¡cuánto más el impío y el pecador!
31Als een rechtvaardige op aarde krijgt wat hem toekomt, Hoeveel te meer dan de boze en de zondaar!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.