Proverbios
Chapter 8
Reina-Valera 1909
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Proverbios 8

Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1¿NO clama la sabiduría, y da su voz la inteligencia?
1Waarachtig, de wijsheid roept, De schranderheid verheft haar stem!
2En los altos cabezos, junto al camino, á las encrucijadas de las veredas se para;
2Zij staat langs de weg op de toppen der hoogten, Op het kruispunt der wegen,
3En el lugar de las puertas, á la entrada de la ciudad, á la entrada de las puertas da voces:
3Opzij van de poorten, aan de ingang der stad, Waar men de poorten betreedt, predikt zij luid:
4Oh hombres, á vosotros clamo; y mi voz es á los hijos de los hombres.
4Ik roep tot u, mannen, Ik spreek tot de kinderen der mensen:
5Entended, simples, discreción; y vosotros, locos, entrad en cordura.
5Leert toch, onnozelen, wat schranderheid is, Verstaat toch, dwazen, wat wijsheid betekent!
6Oid, porque hablaré cosas excelentes; y abriré mis labios para cosas rectas.
6Luistert, want wat ik zeg is zeker, Wat over mijn lippen komt is juist;
7Porque mi boca hablará verdad, y la impiedad abominan mis labios.
7Mijn mond spreekt de waarheid, Van leugentaal hebben mijn lippen een afschuw.
8En justicia son todas las razones de mi boca; no hay en ellas cosa perversa ni torcida.
8Al mijn woorden zijn oprecht, Niet één ervan is misleidend of vals;
9Todas ellas son rectas al que entiende, y razonables á los que han hallado sabiduría.
9Voor wie ze verstaat, zijn ze allen treffend, Voor wie ze wil begrijpen, allen juist.
10Recibid mi enseñanza, y no plata; y ciencia antes que el oro escogido.
10Neemt liever mijn tucht aan dan zilver, Geeft aan kennis de voorkeur boven het fijnste goud;
11Porque mejor es la sabiduría que las piedras preciosas; y todas las cosas que se pueden desear, no son de comparar con ella.
11Want de wijsheid is meer waard dan juwelen, Geen kostbaarheid komt haar nabij!
12Yo, la sabiduría, habito con la discreción, y hallo la ciencia de los consejos.
12Ik, wijsheid, ben met overleg vertrouwd, En beschik over weloverwogen kennis;
13El temor de Jehová es aborrecer el mal; la soberbia y la arrogancia, y el mal camino y la boca perversa, aborrezco.
13Maar hoogmoed en trots, een slechte levenswandel, En een wispelturige tong zijn een afschuw voor mij.
14Conmigo está el consejo y el ser; yo soy la inteligencia; mía es la fortaleza.
14Ik beschik over raad en beleid, Ik bezit doorzicht en kracht;
15Por mí reinan los reyes, y los príncipes determinan justicia.
15Door mij zijn de koningen koning, En bepalen de leiders wat recht is;
16Por mí dominan los príncipes, y todos los gobernadores juzgan la tierra.
16Door mij zijn de vorsten vorst, En zijn alle rechtvaardige rechters in aanzien.
17Yo amo á los que me aman; y me hallan los que madrugando me buscan.
17Die mij beminnen heb ik lief, En die mij zoeken, zullen mij vinden.
18Las riquezas y la honra están conmigo; sólidas riquezas, y justicia.
18Ik beschik over rijkdom en aanzien, Over duurzame welvaart en voorspoed;
19Mejor es mi fruto que el oro, y que el oro refinado; y mi rédito mejor que la plata escogida.
19Mijn vrucht is meer waard dan het edelste goud, Meer dan het fijnste zilver mijn oogst.
20Por vereda de justicia guiaré, por en medio de sendas de juicio;
20Ik wandel op de weg der gerechtigheid, Midden op de paden van het recht:
21Para hacer heredar á mis amigos el ser, y que yo hincha sus tesoros.
21Om die mij beminnen, met bezit te verrijken, En hun schatkamers te vullen.
22Jehová me poseía en el principio de su camino, ya de antiguo, antes de sus obras.
22Jahweh schiep mij als zijn eerste gewrocht, Als het eerste werk, dat Hij ooit heeft gemaakt;
23Eternalmente tuve el principado, desde el principio, antes de la tierra.
23Van oudsher ben ik gevormd, Van den beginne, vóór de eerste tijden der aarde.
24Antes de los abismos fuí engendrada; antes que fuesen las fuentes de las muchas aguas.
24Toen er nog geen oceanen waren. was ik geboren, Toen er nog geen bronnen, rijk aan water, bestonden;
25Antes que los montes fuesen fundados, antes de los collados, era yo engendrada:
25Eer de bergen waren neergelaten, Eer de heuvels ontstonden, werd ik geboren,
26No había aún hecho la tierra, ni las campiñas, ni el principio del polvo del mundo.
26Eer Hij de aarde had gemaakt en de velden, En alle grondstoffen der wereld.
27Cuando formaba los cielos, allí estaba yo; cuando señalaba por compás la sobrefaz del abismo;
27Toen Hij de hemel welfde, was ik aanwezig, Toen Hij een kring trok rond het vlak van de oceaan;
28Cuando afirmaba los cielos arriba, cuando afirmaba las fuentes del abismo;
28Toen Hij daarboven de wolken bevestigde, En de bronnen van de oceaan begonnen te stromen;
29Cuando ponía á la mar su estatuto, y á las aguas, que no pasasen su mandamiento; cuando establecía los fundamentos de la tierra;
29Toen Hij de zee haar grenzen stelde, Dat de wateren haar oevers niet zouden overschrijden; Toen Hij de fundamenten der aarde legde:
30Con él estaba yo ordenándolo todo; y fuí su delicia todos los días, teniendo solaz delante de él en todo tiempo.
30Was ik bij Hem als een troetelkind, Was ik elke dag zijn vermaak, Dartelde ik heel de tijd onder zijn ogen,
31Huélgome en la parte habitable de su tierra; y mis delicias son con los hijos de los hombres.
31Spelend op zijn wereldrond, En mij vermakend met de kinderen der mensen.
32Ahora pues, hijos, oidme; y bienaventurados los que guardaren mis caminos.
32Welnu dan kinderen luistert naar mij; Gelukkig zij, die mijn wegen bewaren;
33Atended el consejo, y sed sabios, y no lo menospreciéis.
33Hoort naar de lessen, weest wijs, en verwerpt ze niet. En de wacht houden aan de posten van mijn poorten.
34Bienaventurado el hombre que me oye, velando á mis puertas cada día, guardando los umbrales de mis entradas.
34Gelukkig de mens, die naar mij luistert, Die elke dag aan mijn deuren waken,
35Porque el que me hallare, hallará la vida, y alcanzará el favor de Jehová.
35Wie mij vindt, heeft het leven gevonden, En welbehagen verkregen van Jahweh;
36Mas el que peca contra mí, defrauda su alma: todos los que me aborrecen, aman la muerte.
36Maar wie mij mist, benadeelt zichzelf, En al wie mij haten, beminnen de dood!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.