Proverbios
Chapter 18
Reina-Valera 1909
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Proverbios 18

Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1SEGÚN su antojo busca el que se desvía, y se entremete en todo negocio.
1Wie zich afscheiden wil, zoekt een voorwendsel; Met alle middelen stuurt hij op ruzie aan.
2No toma placer el necio en la inteligencia, sino en lo que su corazón se descubre.
2Een domoor houdt niet van wijsheid, Maar zegt toch gaarne zijn mening.
3Cuando viene el impío, viene también el menosprecio, y con el deshonrador la afrenta.
3Met de misdaad komt ook de minachting, Op de schanddaad volgt de smaad.
4Aguas profundas son las palabras de la boca del hombre; y arroyo revertiente, la fuente de la sabiduría.
4De woorden van sommige mensen zijn diepe wateren, Een bruisende beek, een bron van leven.
5Tener respeto á la persona del impío, para hacer caer al justo de su derecho, no es bueno.
5Het is onverantwoord, partij te kiezen voor een boosdoener, of een onschuldige voor het gerecht te verdringen.
6Los labios del necio vienen con pleito; y su boca á cuestiones llama.
6Wat een dwaas zegt, leidt tot twist; Zijn mond roept om slaag.
7La boca del necio es quebrantamiento para sí, y sus labios son lazos para su alma.
7Wat een dwaas zegt, stort hem in het ongeluk; Zijn woorden zijn een valstrik voor hemzelf.
8Las palabras del chismoso parecen blandas, y descienden hasta lo íntimo del vientre.
8Woorden van een lastertong zijn als lekkernijen, Ze glijden af naar het diepste van de maag.
9También el que es negligente en su obra es hermano del hombre disipador.
9Wie ook maar slap is in zijn werk, Is al een broer van de vernielgeest.
10Torre fuerte es el nombre de Jehová: á él correrá el justo, y será levantado.
10De naam van Jahweh is een sterke burcht; De rechtvaardige ijlt erheen, en is veilig.
11Las riquezas del rico son la ciudad de su fortaleza, y como un muro alto en su imaginación.
11Het vermogen is voor den rijke een sterke vesting, In zijn verbeelding een hoge muur.
12Antes del quebrantamiento se eleva el corazón del hombre, y antes de la honra es el abatimiento.
12Vóór de val is men hooghartig, Maar aan de eer gaat ootmoed vooraf.
13El que responde palabra antes de oir, le es fatuidad y oprobio.
13Geeft iemand antwoord, eer hij heeft geluisterd, Dan strekt hem dit tot dwaasheid en schande.
14El ánimo del hombre soportará su enfermedad: mas ¿quién soportará al ánimo angustiado?
14Geestkracht houdt iemand staande in zijn lijden, Maar wie beurt een gebroken geest weer op?
15El corazón del entendido adquiere sabiduría; y el oído de los sabios busca la ciencia.
15Een verstandig hart doet inzicht op, Het oor der wijzen spitst zich op kennis.
16El presente del hombre le ensancha el camino , y le lleva delante de los grandes.
16Een geschenk verschaft iemand ruimte, Het geeft hem toegang tot de groten.
17El primero en su propia causa parece justo; y su adversario viene, y le sondea.
17Wie het eerst zijn zaak bepleit, krijgt gelijk; Maar dan komt zijn buur en zet hem recht.
18La suerte pone fin á los pleitos, y desparte los fuertes.
18Het lot maakt een einde aan twisten, En scheidt machtigen van elkaar.
19El hermano ofendido es más tenaz que una ciudad fuerte: y las contiendas de los hermanos son como cerrojos de alcázar.
19Een verongelijkte broer is ontoegankelijker dan een sterke vesting; Ruzie is als de grendel van een burcht.
20Del fruto de la boca del hombre se hartará su vientre; hartaráse del producto de sus labios.
20Door de vrucht van de mond wordt iemands maag gevuld; Van de oogst zijner lippen wordt hij verzadigd
21La muerte y la vida están en poder de la lengua; y el que la ama comerá de sus frutos.
21Dood en leven zijn in de macht van de tong; Wie haar veel gebruikt, moet haar vrucht dan ook eten.
22El que halló esposa halló el bien, y alcanzó la benevolencia de Jehová.
22Wie een vrouw heeft gevonden, heeft iets goeds gevonden, En de gunst van Jahweh gewonnen.
23El pobre habla con ruegos; mas el rico responde durezas.
23Al klaagt een arme nog zo smekend, De rijke antwoordt met hardheid.
24El hombre que tiene amigos, ha de mostrarse amigo: y amigo hay más conjunto que el hermano.
24Er zijn makkers, die iemand in het ongeluk storten; Maar ook vrienden, die aanhankelijker zijn dan een broer.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.