Proverbios
Chapter 17
Reina-Valera 1909
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Proverbios 17

Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1MEJOR es un bocado seco, y en paz, que la casa de contienda llena de víctimas.
1Beter een droog stuk brood met vrede erbij, Dan een huis vol feestmaaltijden en twist.
2El siervo prudente se enseñoreará del hijo que deshonra, y entre los hermanos partirá la herencia.
2Een verstandige knecht heeft meer te zeggen dan een ontaarde zoon, En deelt met diens broeders de erfenis.
3El crisol para la plata, y la hornaza para el oro: mas Jehová prueba los corazones.
3De smeltkroes voor het zilver, de oven voor het goud; Maar de harten toetst Jahweh!
4El malo está atento al labio inicuo; y el mentiroso escucha á la lengua detractora.
4De boosdoener luistert naar zondige taal, De valsaard heeft oor voor heilloze woorden.
5El que escarnece al pobre, afrenta á su Hacedor: y el que se alegra en la calamidad, no quedará sin castigo.
5Wie een arme bespot, smaadt zijn Schepper; Wie leedvermaak heeft, blijft niet ongestraft.
6Corona de los viejos son los hijos de los hijos; y la honra de los hijos, sus padres.
6Kleinkinderen zijn de kroon der grijsaards, Vaders de trots van hun kinderen.
7No conviene al necio la altilocuencia: ¡cuánto menos al príncipe el labio mentiroso!
7Als oprechte taal een dwaas niet staat, Past een edelman zeker geen leugentaal.
8Piedra preciosa es el cohecho en ojos de sus dueños: á donde quiera que se vuelve, da prosperidad.
8Het geschenk is een toversteen voor wie het geeft; Waarheen hij zich wendt, hij heeft succes.
9El que cubre la prevaricación, busca amistad: mas el que reitera la palabra, aparta al amigo.
9Wie een misdaad bemantelt, zoekt de vrede te bewaren; Wie de zaak weer ophaalt, brengt onenigheid tussen vrienden.
10Aprovecha la reprensión en el entendido, más que si cien veces hiriese en el necio.
10Op een verstandig mens maakt één vermaning meer indruk, Dan honderd slagen op een dwaas.
11El rebelde no busca sino mal; y mensajero cruel será contra él enviado.
11Een boze zoekt enkel verzet; Daarom stuurt men een wreden bode op hem af.
12Mejor es se encuentre un hombre con una osa á la cual han robado sus cachorros, que con un fatuo en su necedad.
12Beter een berin te ontmoeten, van haar jongen beroofd, Dan een dwaas in zijn dwaasheid.
13El que da mal por bien, no se apartará el mal de su casa.
13Als iemand goed met kwaad vergeldt, Zal van zijn huis het kwaad niet wijken.
14El que comienza la pendencia es como quien suelta las aguas: deja pues la porfía, antes que se enmarañe.
14Als ruzie ontstaat, is het hek van de dam; Bind dus in, voor de twist losbarst.
15El que justifica al impío, y el que condena al justo, ambos á dos son abominación á Jehová.
15Wie een boosdoener vrijspreekt en een onschuldige veroordeelt, Zijn beiden een even grote gruwel voor Jahweh.
16¿De qué sirve el precio en la mano del necio para comprar sabiduría, no teniendo entendimiento?
16Waartoe dient geld in de hand van een dwaas, Om wijsheid te kopen, als hij toch geen verstand heeft?
17En todo tiempo ama el amigo; y el hermano para la angustia es nacido.
17Een vriend laat altijd zijn genegenheid blijken, In tijd van nood toont hij zich als een broeder.
18El hombre falto de entendimiento toca la mano, fiando á otro delante de su amigo.
18Hoe kortzichtig de mens, die handslag geeft, En zich borg stelt voor zijn naaste.
19La prevaricación ama el que ama pleito; y el que alza su portada, quebrantamiento busca.
19Wie op ruzie gesteld is, is op zonde gesteld; Wie hooghartig spreekt, zoekt zijn eigen val.
20El perverso de corazón nunca hallará bien: y el que revuelve con su lengua, caerá en mal.
20Een vals karakter zal geen zegen ondervinden; Wie zijn woorden verdraait, zal in het ongeluk storten.
21El que engendra al necio, para su tristeza lo engendra : y el padre del fatuo no se alegrará.
21Wie een domoor verwekt heeft, heeft zich hartzeer bezorgd; De vader van een zot kent geen vreugde.
22El corazón alegre produce buena disposición: mas el espíritu triste seca los huesos.
22Een blij hart doet het lichaam goed, Neerslachtigheid verdort het gebeente.
23El impío toma dádiva del seno, para pervertir las sendas del derecho.
23De boze neemt een geschenk uit de buidel aan, Om de wegen van het recht te verdraaien.
24En el rostro del entendido aparece la sabiduría: mas los ojos del necio vagan hasta el cabo de la tierra.
24De verstandige houdt de wijsheid voor ogen, De ogen van een domoor dwalen af naar de uithoeken der aarde.
25El hijo necio es enojo á su padre, y amargura á la que lo engendró.
25Een dom kind is een ergernis voor zijn vader, Een verdriet voor haar, die het baarde.
26Ciertamente no es bueno condenar al justo, ni herir á los príncipes que hacen lo recto.
26Onschuldigen beboeten is al niet goed; Maar edele mensen slaan, gaat alle perken te buiten!
27Detiene sus dichos el que tiene sabiduría: de prudente espíritu es el hombre entendido.
27Wie verstandig is, is spaarzaam met zijn woorden; Een man van ervaring is koelbloedig.
28Aun el necio cuando calla, es contado por sabio: el que cierra sus labios es entendido.
28Als hij zwijgt, geldt zelfs een dwaze voor wijs; Als hij zijn mond maar houdt, voor verstandig.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.