Proverbios 3
Reina-Valera 1909Translation
Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1HIJO mío, no te olvides de mi ley; y tu corazón guarde mis mandamientos:
1Mijn zoon, vergeet mijn onderricht niet, Neem mijn wenken ter harte.
2Porque largura de días, y años de vida y paz te aumentarán.
2Ze schenken u lengte van dagen, jaren van leven, En overvloedige welvaart!
3Misericordia y verdad no te desamparen; átalas á tu cuello, escríbelas en la tabla de tu corazón:
3Liefde en trouw mogen u nimmer verlaten, Hang ze om uw hals, schrijf ze op de tafel van uw hart;
4Y hallarás gracia y buena opinión en los ojos de Dios y de los hombres.
4Dan zult ge goed en verstandig zijn, In de ogen van God en de mensen.
5Fíate de Jehová de todo tu corazón, y no estribes en tu prudencia.
5Vertrouw op Jahweh met heel uw hart, Verlaat u niet op uw eigen inzicht;
6Reconócelo en todos tus caminos, y él enderezará tus veredas.
6Denk aan Hem op al uw wegen, Dan zal Hij uw paden effenen.
7No seas sabio en tu opinión: teme á Jehová, y apártate del mal;
7Wees niet wijs in uw eigen ogen, Heb ontzag voor Jahweh en vermijd het kwaad:
8Porque será medicina á tu ombligo, y tuétano á tus huesos.
8Het zal genezing brengen voor uw lichaam, Verkwikking voor uw gebeente.
9Honra á Jehová de tu sustancia, y de las primicias de todos tus frutos;
9Eer Jahweh met heel uw bezit, Met het beste van al uw inkomsten:
10Y serán llenas tus trojes con abundancia, y tus lagares rebosarán de mosto.
10Dan zullen uw schuren vol koren zijn, Uw kuipen bersten van most.
11No deseches, hijo mío, el castigo de Jehová; ni te fatigues de su corrección:
11Mijn zoon, sla de lessen van Jahweh niet in de wind, Heb geen afkeer van zijn bestraffing;
12Porque al que ama castiga, como el padre al hijo á quien quiere.
12Want Jahweh tuchtigt hem, dien Hij liefheeft, Kastijdt het kind, dat Hij mag.
13Bienaventurado el hombre que halla la sabiduría, y que obtiene la inteligencia:
13Gelukkig de mens, die wijsheid verkreeg, De man die inzicht bekwam;
14Porque su mercadería es mejor que la mercadería de la plata, y sus frutos más que el oro fino.
14Want haar voordelen zijn groter dan die van zilver, Wat zij opbrengt is beter dan goud.
15Más preciosa es que las piedras preciosas; y todo lo que puedes desear, no se puede comparar á ella.
15Zij is meer waard dan juwelen; Geen van uw kostbaarheden komt haar nabij!
16Largura de días está en su mano derecha; en su izquierda riquezas y honra.
16Met de rechterhand schenkt ze lengte van dagen, Met de linker rijkdom en aanzien.
17Sus caminos son caminos deleitosos, y todas sus veredas paz.
17Haar wegen zijn liefelijke wegen, Al haar paden leiden tot vrede;
18Ella es árbol de vida á los que de ella asen: y bienaventurados son los que la mantienen.
18Zij is een boom des levens voor wie haar vatten, En wie haar vasthoudt, is zalig te prijzen!
19Jehová con sabiduría fundó la tierra; afirmó los cielos con inteligencia.
19Met wijsheid heeft Jahweh de aarde gegrond, Met inzicht de hemel gewelfd;
20Con su ciencia se partieron los abismos, y destilan el rocío los cielos.
20Naar zijn kennis rollen de zeeën aan, En druppelen de wolken van dauw.
21Hijo mío, no se aparten estas cosas de tus ojos; guarda la ley y el consejo;
21Mijn zoon, verlies ze dus niet uit het oog, Maar doe alles met beleid en verstand;
22Y serán vida á tu alma, y gracia á tu cuello.
22Laat ze het leven zijn voor uw ziel, Een sieraad voor uw hals.
23Entonces andarás por tu camino confiadamente, y tu pie no tropezará.
23Dan zult ge veilig uw weg bewandelen, En zult ge uw voeten niet stoten;
24Cuando te acostares, no tendrás temor; antes te acostarás, y tu sueño será suave.
24Dan behoeft ge niet te vrezen, als ge u neerlegt, Kunt ge rustig sluimeren, als ge wilt slapen.
25No tendrás temor de pavor repentino, ni de la ruina de los impíos cuando viniere:
25Dan behoeft ge niet te vrezen, voor wat de dommen verschrikt, Of als het onweer komt, dat de bozen overvalt;
26Porque Jehová será tu confianza, y él preservará tu pie de ser preso.
26Want Jahweh zal zijn op al uw wegen, Uw voet behoeden voor de strik.
27No detengas el bien de sus dueños, cuando tuvieres poder para hacerlo.
27Weiger het goede niet, aan wien het toekomt, Zolang het in uw macht is, het te doen.
28No digas á tu prójimo: Ve, y vuelve, y mañana te daré; cuando tienes contigo qué darle .
28Zeg niet tot uw naaste: “Ga heen en kom nog eens terug”; Of “Mórgen krijgt ge iets”, terwijl ge het nú hebt!
29No intentes mal contra tu prójimo, estando él confiado de ti.
29Smeed geen kwaad tegen uw naaste, Terwijl hij, niets duchtend, bij u verblijft;
30No pleitees con alguno sin razón, si él no te ha hecho agravio.
30Zoek geen twist met iemand om niets, Als hij u geen kwaad heeft gedaan.
31No envidies al hombre injusto, ni escojas alguno de sus caminos.
31Wees niet jaloers op een tyran, Laat geen zijner wegen u gevallen;
32Porque el perverso es abominado de Jehová: mas su secreto es con los rectos.
32Want Jahweh heeft een afschuw van den zondaar, Maar met de rechtvaardigen gaat Hij vertrouwelijk om.
33La maldición de Jehová está en la casa del impío; mas él bendecirá la morada de los justos.
33De vloek van Jahweh rust op het huis van den boze, Zijn zegen op de woning der rechtvaardigen;
34Ciertamente él escarnecerá á los escarnecedores, y á los humildes dará gracia.
34Met spotters drijft Hij de spot, Maar aan de nederigen schenkt hij genade.
35Los sabios heredarán honra: mas los necios sostendrán ignominia.
35Wijzen zullen achting verwerven, Dwazen schande verkrijgen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.