Přísloví
Chapter 3
Kralice Bible (1613)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Přísloví 3

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Synu můj, na učení mé nezapomínej, ale přikázaní mých nechať ostříhá srdce tvé.
1Mijn zoon, vergeet mijn onderricht niet, Neem mijn wenken ter harte.
2Dlouhosti zajisté dnů, i let života i pokoje přidadí tobě.
2Ze schenken u lengte van dagen, jaren van leven, En overvloedige welvaart!
3Milosrdenství a pravda nechť neopouštějí tě, přivaž je k hrdlu svému, napiš je na tabuli srdce svého,
3Liefde en trouw mogen u nimmer verlaten, Hang ze om uw hals, schrijf ze op de tafel van uw hart;
4A nalezneš milost a prospěch výborný před Bohem i lidmi.
4Dan zult ge goed en verstandig zijn, In de ogen van God en de mensen.
5Doufej v Hospodina celým srdcem svým, na rozumnost pak svou nezpoléhej.
5Vertrouw op Jahweh met heel uw hart, Verlaat u niet op uw eigen inzicht;
6Na všech cestách svých snažuj se jej poznávati, a onť spravovati bude stezky tvé.
6Denk aan Hem op al uw wegen, Dan zal Hij uw paden effenen.
7Nebývej moudrý sám u sebe; boj se Hospodina, a odstup od zlého.
7Wees niet wijs in uw eigen ogen, Heb ontzag voor Jahweh en vermijd het kwaad:
8Toť bude zdraví životu tvému, a rozvlažení kostem tvým.
8Het zal genezing brengen voor uw lichaam, Verkwikking voor uw gebeente.
9Cti Hospodina z statku svého, a z nejpřednějších věcí všech úrod svých,
9Eer Jahweh met heel uw bezit, Met het beste van al uw inkomsten:
10A naplněny budou stodoly tvé hojností, a presové tvoji mstem oplývati budou.
10Dan zullen uw schuren vol koren zijn, Uw kuipen bersten van most.
11Kázně Hospodinovy, synu můj, nezamítej, aniž sobě oškliv domlouvání jeho.
11Mijn zoon, sla de lessen van Jahweh niet in de wind, Heb geen afkeer van zijn bestraffing;
12Nebo kohož miluje Hospodin, tresce, a to jako otec syna, jejž libuje.
12Want Jahweh tuchtigt hem, dien Hij liefheeft, Kastijdt het kind, dat Hij mag.
13Blahoslavený člověk nalézající moudrost, a člověk vynášející opatrnost.
13Gelukkig de mens, die wijsheid verkreeg, De man die inzicht bekwam;
14Lépeť jest zajisté těžeti jí, nežli těžeti stříbrem, anobrž nad výborné zlato užitek její.
14Want haar voordelen zijn groter dan die van zilver, Wat zij opbrengt is beter dan goud.
15Dražší jest než drahé kamení, a všecky nejžádostivější věci tvé nevrovnají se jí.
15Zij is meer waard dan juwelen; Geen van uw kostbaarheden komt haar nabij!
16Dlouhost dnů v pravici její, a v levici její bohatství a sláva.
16Met de rechterhand schenkt ze lengte van dagen, Met de linker rijkdom en aanzien.
17Cesty její cesty utěšené, a všecky stezky její pokojné.
17Haar wegen zijn liefelijke wegen, Al haar paden leiden tot vrede;
18Stromem života jest těm, kteříž jí dosahují, a kteříž ji mají, blahoslavení jsou.
18Zij is een boom des levens voor wie haar vatten, En wie haar vasthoudt, is zalig te prijzen!
19Hospodin moudrostí založil zemi, utvrdil nebesa opatrností.
19Met wijsheid heeft Jahweh de aarde gegrond, Met inzicht de hemel gewelfd;
20Uměním jeho propasti protrhují se, a oblakové vydávají rosu.
20Naar zijn kennis rollen de zeeën aan, En druppelen de wolken van dauw.
21Synu můj, nechť neodcházejí ty věci od očí tvých, ostříhej zdravého naučení a prozřetelnosti.
21Mijn zoon, verlies ze dus niet uit het oog, Maar doe alles met beleid en verstand;
22I budeť to životem duši tvé, a ozdobou hrdlu tvému.
22Laat ze het leven zijn voor uw ziel, Een sieraad voor uw hals.
23Tehdy choditi budeš bezpečně cestou svou, a v nohu svou neurazíš se.
23Dan zult ge veilig uw weg bewandelen, En zult ge uw voeten niet stoten;
24Když lehneš, nebudeš se strašiti, ale odpočívati budeš, a bude libý sen tvůj.
24Dan behoeft ge niet te vrezen, als ge u neerlegt, Kunt ge rustig sluimeren, als ge wilt slapen.
25Nelekneš se strachu náhlého, ani zpuštění bezbožníků, když přijde.
25Dan behoeft ge niet te vrezen, voor wat de dommen verschrikt, Of als het onweer komt, dat de bozen overvalt;
26Nebo Hospodin bude doufání tvé, a ostříhati bude nohy tvé, abys nebyl lapen.
26Want Jahweh zal zijn op al uw wegen, Uw voet behoeden voor de strik.
27Nezadržuj dobrodiní potřebujícím, když s to býti můžeš, abys je činil.
27Weiger het goede niet, aan wien het toekomt, Zolang het in uw macht is, het te doen.
28Neříkej bližnímu svému: Odejdi, potom navrať se, a zítrať dám, maje to u sebe.
28Zeg niet tot uw naaste: “Ga heen en kom nog eens terug”; Of “Mórgen krijgt ge iets”, terwijl ge het nú hebt!
29Neukládej proti bližnímu svému zlého, kterýž s tebou dověrně bydlí.
29Smeed geen kwaad tegen uw naaste, Terwijl hij, niets duchtend, bij u verblijft;
30Nevaď se s člověkem bez příčiny, jestližeť neučinil zlého.
30Zoek geen twist met iemand om niets, Als hij u geen kwaad heeft gedaan.
31Nechtěj záviděti muži dráči, aniž zvoluj které cesty jeho.
31Wees niet jaloers op een tyran, Laat geen zijner wegen u gevallen;
32Nebo ohavností jest Hospodinu převrácenec, ale s upřímými tajemství jeho.
32Want Jahweh heeft een afschuw van den zondaar, Maar met de rechtvaardigen gaat Hij vertrouwelijk om.
33Zlořečení Hospodinovo jest v domě bezbožníka, ale příbytku spravedlivých žehná:
33De vloek van Jahweh rust op het huis van den boze, Zijn zegen op de woning der rechtvaardigen;
34Poněvadž posměvačům on se posmívá, pokorným pak dává milost.
34Met spotters drijft Hij de spot, Maar aan de nederigen schenkt hij genade.
35Slávu moudří dědičně obdrží, ale blázny hubí pohanění.
35Wijzen zullen achting verwerven, Dwazen schande verkrijgen!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.