Proverbiorum
Chapter 3
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Proverbiorum 3

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Fili mi, ne obliviscaris legis meæ, et præcepta mea cor tuum custodiat:
1Mijn zoon, vergeet mijn onderricht niet, Neem mijn wenken ter harte.
2longitudinem enim dierum, et annos vitæ, et pacem, apponent tibi.
2Ze schenken u lengte van dagen, jaren van leven, En overvloedige welvaart!
3Misericordia et veritas te non deserant; circumda eas gutturi tuo, et describe in tabulis cordis tui:
3Liefde en trouw mogen u nimmer verlaten, Hang ze om uw hals, schrijf ze op de tafel van uw hart;
4et invenies gratiam, et disciplinam bonam, coram Deo et hominibus.
4Dan zult ge goed en verstandig zijn, In de ogen van God en de mensen.
5Habe fiduciam in Domino ex toto corde tuo, et ne innitaris prudentiæ tuæ.
5Vertrouw op Jahweh met heel uw hart, Verlaat u niet op uw eigen inzicht;
6In omnibus viis tuis cogita illum, et ipse diriget gressus tuos.
6Denk aan Hem op al uw wegen, Dan zal Hij uw paden effenen.
7Ne sis sapiens apud temetipsum; time Deum, et recede a malo:
7Wees niet wijs in uw eigen ogen, Heb ontzag voor Jahweh en vermijd het kwaad:
8sanitas quippe erit umbilico tuo, et irrigatio ossium tuorum.
8Het zal genezing brengen voor uw lichaam, Verkwikking voor uw gebeente.
9Honora Dominum de tua substantia, et de primitiis omnium frugum tuarum da ei:
9Eer Jahweh met heel uw bezit, Met het beste van al uw inkomsten:
10et implebuntur horrea tua saturitate, et vino torcularia tua redundabunt.]
10Dan zullen uw schuren vol koren zijn, Uw kuipen bersten van most.
11[Disciplinam Domini, fili mi, ne abjicias, nec deficias cum ab eo corriperis:
11Mijn zoon, sla de lessen van Jahweh niet in de wind, Heb geen afkeer van zijn bestraffing;
12quem enim diligit Dominus, corripit, et quasi pater in filio complacet sibi.
12Want Jahweh tuchtigt hem, dien Hij liefheeft, Kastijdt het kind, dat Hij mag.
13Beatus homo qui invenit sapientiam, et qui affluit prudentia.
13Gelukkig de mens, die wijsheid verkreeg, De man die inzicht bekwam;
14Melior est acquisitio ejus negotiatione argenti, et auri primi et purissimi fructus ejus.
14Want haar voordelen zijn groter dan die van zilver, Wat zij opbrengt is beter dan goud.
15Pretiosior est cunctis opibus, et omnia quæ desiderantur huic non valent comparari.
15Zij is meer waard dan juwelen; Geen van uw kostbaarheden komt haar nabij!
16Longitudo dierum in dextera ejus, et in sinistra illius divitiæ et gloria.
16Met de rechterhand schenkt ze lengte van dagen, Met de linker rijkdom en aanzien.
17Viæ ejus viæ pulchræ, et omnes semitæ illius pacificæ.
17Haar wegen zijn liefelijke wegen, Al haar paden leiden tot vrede;
18Lignum vitæ est his qui apprehenderint eam, et qui tenuerit eam beatus.
18Zij is een boom des levens voor wie haar vatten, En wie haar vasthoudt, is zalig te prijzen!
19Dominus sapientia fundavit terram; stabilivit cælos prudentia.
19Met wijsheid heeft Jahweh de aarde gegrond, Met inzicht de hemel gewelfd;
20Sapientia illius eruperunt abyssi, et nubes rore concrescunt.]
20Naar zijn kennis rollen de zeeën aan, En druppelen de wolken van dauw.
21[Fili mi, ne effluant hæc ab oculis tuis. Custodi legem atque consilium,
21Mijn zoon, verlies ze dus niet uit het oog, Maar doe alles met beleid en verstand;
22et erit vita animæ tuæ, et gratia faucibus tuis.
22Laat ze het leven zijn voor uw ziel, Een sieraad voor uw hals.
23Tunc ambulabis fiducialiter in via tua, et pes tuus non impinget.
23Dan zult ge veilig uw weg bewandelen, En zult ge uw voeten niet stoten;
24Si dormieris, non timebis; quiesces, et suavis erit somnus tuus.
24Dan behoeft ge niet te vrezen, als ge u neerlegt, Kunt ge rustig sluimeren, als ge wilt slapen.
25Ne paveas repentino terrore, et irruentes tibi potentias impiorum.
25Dan behoeft ge niet te vrezen, voor wat de dommen verschrikt, Of als het onweer komt, dat de bozen overvalt;
26Dominus enim erit in latere tuo, et custodiet pedem tuum, ne capiaris.]
26Want Jahweh zal zijn op al uw wegen, Uw voet behoeden voor de strik.
27[Noli prohibere benefacere eum qui potest: si vales, et ipse benefac.
27Weiger het goede niet, aan wien het toekomt, Zolang het in uw macht is, het te doen.
28Ne dicas amico tuo: Vade, et revertere: cras dabo tibi: cum statim possis dare.
28Zeg niet tot uw naaste: “Ga heen en kom nog eens terug”; Of “Mórgen krijgt ge iets”, terwijl ge het nú hebt!
29Ne moliaris amico tuo malum, cum ille in te habeat fiduciam.
29Smeed geen kwaad tegen uw naaste, Terwijl hij, niets duchtend, bij u verblijft;
30Ne contendas adversus hominem frustra, cum ipse tibi nihil mali fecerit.
30Zoek geen twist met iemand om niets, Als hij u geen kwaad heeft gedaan.
31Ne æmuleris hominem injustum, nec imiteris vias ejus:
31Wees niet jaloers op een tyran, Laat geen zijner wegen u gevallen;
32quia abominatio Domini est omnis illusor, et cum simplicibus sermocinatio ejus.
32Want Jahweh heeft een afschuw van den zondaar, Maar met de rechtvaardigen gaat Hij vertrouwelijk om.
33Egestas a Domino in domo impii; habitacula autem justorum benedicentur.
33De vloek van Jahweh rust op het huis van den boze, Zijn zegen op de woning der rechtvaardigen;
34Ipse deludet illusores, et mansuetis dabit gratiam.
34Met spotters drijft Hij de spot, Maar aan de nederigen schenkt hij genade.
35Gloriam sapientes possidebunt; stultorum exaltatio ignominia.]
35Wijzen zullen achting verwerven, Dwazen schande verkrijgen!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.