Proverbiorum
Chapter 10
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Proverbiorum 10

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Filius sapiens lætificat patrem, filius vero stultus mœstitia est matris suæ.
1Spreuken van Salomon. Een verstandig kind is een vreugde voor zijn vader; Een kind, dat niet oppast, bezorgt zijn moeder verdriet.
2Nil proderunt thesauri impietatis, justitia vero liberabit a morte.
2Oneerlijk verkregen rijkdom zal niet baten, Alleen de rechtvaardigheid redt uit de dood.
3Non affliget Dominus fame animam justi, et insidias impiorum subvertet.
3Jahweh zal een rechtvaardige geen honger doen lijden, Maar de begeerlijkheid der bozen wijst Hij af.
4Egestatem operata est manus remissa; manus autem fortium divitias parat. Qui nititur mendaciis, hic pascit ventos; idem autem ipse sequitur aves volantes.
4Een vadsige hand kweekt armoe, De hand der vlijtigen maakt rijk.
5Qui congregat in messe, filius sapiens est; qui autem stertit æstate, filius confusionis.
5Wie in de zomer voorraad opdoet, is wijs; Wie in de oogsttijd slaapt, wordt beschaamd.
6Benedictio Domini super caput justi; os autem impiorum operit iniquitas.
6Zegen rust op het hoofd van den rechtvaardige, Maar geweld zal het gezicht der bozen bedekken
7Memoria justi cum laudibus, et nomen impiorum putrescet.
7De nagedachtenis van den rechtvaardige wordt gezegend, De naam der bozen vervloekt.
8Sapiens corde præcepta suscipit; stultus cæditur labiis.
8Wie wijs is van harte, neemt voorschriften aan; Wie dwaze dingen zegt, komt ten val.
9Qui ambulat simpliciter ambulat confidenter; qui autem depravat vias suas manifestus erit.
9Hij gaat veilig, die onberispelijk wandelt; Maar wie zich op dwaalwegen waagt, wordt betrapt.
10Qui annuit oculo dabit dolorem; et stultus labiis verberabitur.]
10Wie een oogje toedoet, veroorzaakt droefheid; Wie vrijmoedig terechtwijst, sticht vrede.
11[Vena vitæ os justi, et os impiorum operit iniquitatem.
11Een bron van leven is de mond van den rechtvaardige, De mond der bozen verbergt geweld.
12Odium suscitat rixas, et universa delicta operit caritas.
12De haat verwekt twist, Maar de liefde bedekt alle overtredingen.
13In labiis sapientis invenitur sapientia, et virga in dorso ejus qui indiget corde.
13Op de lippen van een wijze vindt men wijsheid, Op de rug van een onverstandig mens dient de stok.
14Sapientes abscondunt scientiam; os autem stulti confusioni proximum est.
14Wijzen houden de kennis voor zich, Maar de mond van een dwaas is een dreigend onheil.
15Substantia divitis, urbs fortitudinis ejus; pavor pauperum egestas eorum.
15Het bezit is voor den rijke een sterke burcht, De armoede voor de behoeftigen een ongeluk.
16Opus justi ad vitam, fructus autem impii ad peccatum.
16Wat een rechtvaardige verdient, strekt ten leven; Maar de winst van een boze tot zonde.
17Via vitæ custodienti disciplinam; qui autem increpationes relinquit, errat.
17Wie de tucht in ere houdt, betreedt de weg ten leven; Wie vermaningen in de wind slaat, verdwaalt.
18Abscondunt odium labia mendacia; qui profert contumeliam, insipiens est.
18Eerlijke lippen houden hatelijkheden binnen; Wie lasterpraatjes verspreidt, is een dwaas.
19In multiloquio non deerit peccatum, qui autem moderatur labia sua prudentissimus est.
19In een vloed van woorden wordt licht een fout begaan; Wijs dus hij, die zijn lippen opeenknijpt!
20Argentum electum lingua justi; cor autem impiorum pro nihilo.
20Het fijnste zilver is de tong van een rechtvaardige, Het hart der bozen is weinig waard.
21Labia justi erudiunt plurimos; qui autem indocti sunt in cordis egestate morientur.]
21De lippen van een rechtvaardige kunnen velen leiden, Maar de bozen gaan aan hun onverstand dood.
22[Benedictio Domini divites facit, nec sociabitur eis afflictio.
22Het is de zegen van Jahweh, die rijk maakt; Eigen beslommering voegt er niets aan toe.
23Quasi per risum stultus operatur scelus, sapientia autem est viro prudentia.
23Voor den dwaze is kwaaddoen een genot, Voor een man van inzicht het betrachten van wijsheid.
24Quod timet impius veniet super eum; desiderium suum justus dabitur.
24Wat de boze ducht, dat overkomt hem; Wat een rechtvaardige verlangt, wordt hem geschonken.
25Quasi tempestas transiens non erit impius; justus autem quasi fundamentum sempiternum.
25Steekt er een storm op, dan is de boze verdwenen; Maar de rechtvaardige staat blijvend vast.
26Sicut acetum dentibus, et fumus oculis, sic piger his qui miserunt eum.
26Azijn voor de tanden en rook voor de ogen, Dàt is de luiaard voor wie hem een boodschap laat doen.
27Timor Domini apponet dies, et anni impiorum breviabuntur.
27Het ontzag voor Jahweh verlengt het leven, Maar de jaren der bozen zijn kort.
28Exspectatio justorum lætitia, spes autem impiorum peribit.
28De hoop der rechtvaardigen eindigt in vreugde, De verwachting der bozen loopt uit op niets.
29Fortitudo simplicis via Domini, et pavor his qui operantur malum.
29Jahweh is een steun voor wie onberispelijk wandelen, Maar een verschrikking voor allen, die kwaad doen.
30Justus in æternum non commovebitur, impii autem non habitabunt super terram.
30De rechtvaardige zal in der eeuwigheid niet wankelen, De bozen zullen de aarde niet blijven bewonen.
31Os justi parturiet sapientiam; lingua pravorum peribit.
31De mond van een rechtvaardige brengt wijsheid voort, Maar een sluwe tong wordt uitgerukt.
32Labia justi considerant placita, et os impiorum perversa.]
32De lippen van een rechtvaardige weten wat welgevallig is, Maar de mond der bozen heeft slinkse streken.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.