Proverbiorum 31
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Verba Lamuelis regis. Visio qua erudivit eum mater sua.
1Wenken voor Lemoeël, den koning van Massa, die zijn moeder hem gaf.
2[Quid, dilecte mi? quid, dilecte uteri mei? quid, dilecte votorum meorum?
2Mijn zoon, wat zal ik u zeggen; Wat, kind van mijn schoot; Wat, kind van mijn geloften!
3Ne dederis mulieribus substantiam tuam, et divitias tuas ad delendos reges.
3Verkwist uw geld niet aan vrouwen, Schenk uw hart niet aan haar, die koningen verderven;
4Noli regibus, o Lamuel, noli regibus dare vinum, quia nullum secretum est ubi regnat ebrietas;
4Dat past geen koningen, Lemoeël! Het past geen koningen, wijn te drinken; Vorsten mogen niet verzot zijn op drank.
5et ne forte bibant, et obliviscantur judiciorum, et mutent causam filiorum pauperis.
5Anders vergeten zij al drinkend de wet, En verdraaien het recht van alle verdrukten.
6Date siceram mœrentibus, et vinum his qui amaro sunt animo.
6Geef de drank maar aan hen, die ontredderd zijn, Schenk wijn aan bedroefden:
7Bibant, et obliviscantur egestatis suæ, et doloris sui non recordentur amplius.
7Al drinkend vergeten ze hun armoe, En denken niet meer aan hun zorgen.
8Aperi os tuum muto, et causis omnium filiorum qui pertranseunt.
8Kom op voor hen, die niets weten te zeggen, Voor het recht van allen, die verkwijnen;
9Aperi os tuum, decerne quod justum est, et judica inopem et pauperem.]
9Open uw mond, geef een billijk vonnis, Verschaf recht aan armen en tobbers.
10[Mulierem fortem quis inveniet? procul et de ultimis finibus pretium ejus.
10Een flinke vrouw! Men vindt haar niet licht; Haar waarde is hoger dan die van juwelen!
11Confidit in ea cor viri sui, et spoliis non indigebit.
11Haar man kan vast op haar bouwen, Hem ontgaat geen winst.
12Reddet ei bonum, et non malum, omnibus diebus vitæ suæ.
12Ze brengt hem voordeel, zolang hij leeft, Nimmer zal ze hem schaden;
13Quæsivit lanam et linum, et operata est consilia manuum suarum.
13Ze haalt wol en linnen in huis, En verwerkt die met willige handen.
14Facta est quasi navis institoris, de longe portans panem suum.
14Als een handelsschip haalt ze van verre haar spijs,
15Et de nocte surrexit, deditque prædam domesticis suis, et cibaria ancillis suis.
15En als het nog nacht is, staat ze al op, Bereidt ze het eten voor haar gezin, En wijst haar dienstboden de dagtaak aan.
16Consideravit agrum, et emit eum; de fructu manuum suarum plantavit vineam.
16Na rijp beraad koopt ze een akker, Van wat ze verdiende plant ze een wijngaard;
17Accinxit fortitudine lumbos suos, et roboravit brachium suum.
17Ze gordelt haar lenden met kracht, De handen steekt ze uit de mouwen.
18Gustavit, et vidit quia bona est negotiatio ejus; non extinguetur in nocte lucerna ejus.
18Ze onderzoekt, of haar huishouden loopt, Zelfs in de nacht gaat haar lamp niet uit;
19Manum suam misit ad fortia, et digiti ejus apprehenderunt fusum.
19Ze slaat de hand aan het spinnewiel, Haar vingers grijpen de klos.
20Manum suam aperuit inopi, et palmas suas extendit ad pauperem.
20Ze is vrijgevig voor den arme, Den behoeftige stopt ze iets toe;
21Non timebit domui suæ a frigoribus nivis; omnes enim domestici ejus vestiti sunt duplicibus.
21Voor haar gezin hoeft ze de kou niet te vrezen, Want heel haar gezin heeft een dubbel stel kleren.
22Stragulatam vestem fecit sibi; byssus et purpura indumentum ejus.
22Zelf maakt ze haar mantels, Ze gaat in lijnwaad en purper gekleed;
23Nobilis in portis vir ejus, quando sederit cum senatoribus terræ.
23Ook haar man valt op in de poorten, Waar hij zetelt met de oudsten van het land.
24Sindonem fecit, et vendidit, et cingulum tradidit Chananæo.
24Ze verkoopt de eigengemaakte gewaden, En levert den handelaar gordels;
25Fortitudo et decor indumentum ejus, et ridebit in die novissimo.
25Ze is met kracht en voornaamheid bekleed, En kent geen angst voor de komende dag.
26Os suum aperuit sapientiæ, et lex clementiæ in lingua ejus.
26Haar mond is vol wijsheid, Een vriendelijke wenk ligt op haar tong:
27Consideravit semitas domus suæ, et panem otiosa non comedit.
27Zo gaat ze de gangen na van haar gezin, Niet in ledigheid eet ze haar brood!
28Surrexerunt filii ejus, et beatissimam prædicaverunt; vir ejus, et laudavit eam.
28Haar zonen staan op, en prijzen haar gelukkig, Haar man ook geeft haar deze lof:
29Multæ filiæ congregaverunt divitias; tu supergressa es universas.
29“Menige vrouw weert zich dapper, Maar gij hebt ze allen overtroffen!”
30Fallax gratia, et vana est pulchritudo: mulier timens Dominum, ipsa laudabitur.
30Bedriegelijk is de bevalligheid, en broos is de schoonheid; Maar een vrouw, die Jahweh vreest, blijft geëerd.
31Date ei de fructu manuum suarum, et laudent eam in portis opera ejus.]
31Laat haar genieten van wat haar handen wrochtten, In de poorten zullen haar daden haar prijzen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.