Приповісток 31
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Се слова царя Лемуїла; наука, яку дала йому мати його:
1Wenken voor Lemoeël, den koning van Massa, die zijn moeder hem gaf.
2Що ж, сину мій? що, дитино тїла мого? що, обітниць моїх ти сину?
2Mijn zoon, wat zal ik u zeggen; Wat, kind van mijn schoot; Wat, kind van mijn geloften!
3Не оддавай жіноцтву сил твоїх, анї поступків твоїх тим погубницям царів.
3Verkwist uw geld niet aan vrouwen, Schenk uw hart niet aan haar, die koningen verderven;
4Не царям, Лемуїлю, не царям пити вино, не князям сикер попивати,
4Dat past geen koningen, Lemoeël! Het past geen koningen, wijn te drinken; Vorsten mogen niet verzot zijn op drank.
5Щоб вони, напившись, права не забули та й не покривили суду всїх людей убогих.
5Anders vergeten zij al drinkend de wet, En verdraaien het recht van alle verdrukten.
6Дайте сикеру бідоласї, й вина тим, що їх серце в горю;
6Geef de drank maar aan hen, die ontredderd zijn, Schenk wijn aan bedroefden:
7Нехай випє й свої забуде злиднї, та не думає все про свої страдання.
7Al drinkend vergeten ze hun armoe, En denken niet meer aan hun zorgen.
8Отверай уста за того, хто голосу нїде не має, та щоб сиріт боронити.
8Kom op voor hen, die niets weten te zeggen, Voor het recht van allen, die verkwijnen;
9Одверзай уста твої на правосуд та для справи бідного й нужденного.
9Open uw mond, geef een billijk vonnis, Verschaf recht aan armen en tobbers.
10Хто знайде жінку честиву? цїна їй перел дорожша;
10Een flinke vrouw! Men vindt haar niet licht; Haar waarde is hoger dan die van juwelen!
11Серце мужове певне її, й не малий з неї прибуток;
11Haar man kan vast op haar bouwen, Hem ontgaat geen winst.
12Платить вона добром йому, а нїколи злом, покіль віку її.
12Ze brengt hem voordeel, zolang hij leeft, Nimmer zal ze hem schaden;
13Дбає про лен та вовну, й охочо працює власними руками.
13Ze haalt wol en linnen in huis, En verwerkt die met willige handen.
14Мов купецький корабель той, здобуває хлїб здалека.
14Als een handelsschip haalt ze van verre haar spijs,
15Встане вдосьвіта, домашнім роздасть їжу, а дївкам їх дїло.
15En als het nog nacht is, staat ze al op, Bereidt ze het eten voor haar gezin, En wijst haar dienstboden de dagtaak aan.
16Схоче поля — є й на поле; з свого дорібку садить виноградник.
16Na rijp beraad koopt ze een akker, Van wat ze verdiende plant ze een wijngaard;
17Оперізуєсь силою й кріпить руки свої.
17Ze gordelt haar lenden met kracht, De handen steekt ze uit de mouwen.
18Бачить, що праця чесна й добра, проте сьвітло в неї не гасне й пізної ночі.
18Ze onderzoekt, of haar huishouden loopt, Zelfs in de nacht gaat haar lamp niet uit;
19Простягає руки до прядки, а палцї її беруть веретено.
19Ze slaat de hand aan het spinnewiel, Haar vingers grijpen de klos.
20Долоню свою розтулює бідному, подає руку нужденому.
20Ze is vrijgevig voor den arme, Den behoeftige stopt ze iets toe;
21Не боїться, що ріднї студено буде; — вся семя має подвійну одежу.
21Voor haar gezin hoeft ze de kou niet te vrezen, Want heel haar gezin heeft een dubbel stel kleren.
22Робить вона собі коври; висон, пурпур — її одежа.
22Zelf maakt ze haar mantels, Ze gaat in lijnwaad en purper gekleed;
23Мужа її всяке знає; сидить він у воротях між громадськими мужами.
23Ook haar man valt op in de poorten, Waar hij zetelt met de oudsten van het land.
24Тче вона покривала й продає, а пояси доставляє купцям Финикийським.
24Ze verkoopt de eigengemaakte gewaden, En levert den handelaar gordels;
25Трівкість і краса — одежа її, й весело глядить вона в будущину.
25Ze is met kracht en voornaamheid bekleed, En kent geen angst voor de komende dag.
26Уста свої отвирає лиш на слова мудрі, на язицї в неї — лагідна наука.
26Haar mond is vol wijsheid, Een vriendelijke wenk ligt op haar tong:
27Пильно вона наглядає за порядком в домі, і не знає їсти хлїба — нїчо не робивши.
27Zo gaat ze de gangen na van haar gezin, Niet in ledigheid eet ze haar brood!
28Встають дїти, — її величають, і муж її всюди вихваляє:
28Haar zonen staan op, en prijzen haar gelukkig, Haar man ook geeft haar deze lof:
29Много женщин честивих, — ти ж усїх перевисшила!
29“Menige vrouw weert zich dapper, Maar gij hebt ze allen overtroffen!”
30Бо принада — річ непевна, пишна врода — річ минуща; богобоязлива ж жінка — от кого хвалити треба!
30Bedriegelijk is de bevalligheid, en broos is de schoonheid; Maar een vrouw, die Jahweh vreest, blijft geëerd.
31Платїть же їй після того, що її надбали руки; славіть її у громадї за її учинки!
31Laat haar genieten van wat haar handen wrochtten, In de poorten zullen haar daden haar prijzen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.