Приповісток
Chapter 23
Kulish and Puluj Bible (…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Приповісток 23

Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Коли засядеш їсти з князем укупі, то вважай добре, як стоїть перед тобою страва;
1Als ge bij den koning aan tafel zit, Let dan enkel op wat voor u staat,
2Вложи собі хоч би ножа в горло, коли ти надто ласий.
2En zet een mes op uw keel Als ge een goede eetlust hebt;
3На ласощі його не надься: се оманлива страва.
3Wees niet belust op zijn lekkernijen, Want ze zijn een bedriegelijke spijs.
4В достатки не силкуйсь великі вбиватись; залиши такі гадки твої.
4Doe geen moeite, om rijkdom te verwerven, Zie van uw voornemen af;
5Подивишся на них, а їх уже й немає; багацтво бо собі, мов крила, поробить, та, немов орел, ід небу полине.
5Zodra ge uw zinnen daarop zet, Is hij al heen! Want hij maakt zich vleugels, En vliegt als een arend de lucht in.
6Не їж страви у скупаря зависного й не надься на ласощі його;
6Ga niet eten bij een vrek, Wees niet belust op zijn lekkernijen;
7Бо які нещирі мисли в його, такий і він: „Іж і пий!‟ — припрошує він, а серце його не при тобі.
7Want het is iemand, die bij zichzelf zit te rekenen, Die “Eet en drink” tot u zegt, maar het niet meent.
8Шматок, що зʼїв, рад будеш вернути, й добрі слова твої ти надармо втратиш.
8De spijs, die ge gegeten hebt, spuwt ge weer uit, En uw vriendelijke woorden hebt ge verspild.
9При дурневі не говори, він бо знехтує розумні речі твої.
9Spreek niet ten aanhoren van een dwaas; Hij geeft niets om uw wijze woorden.
10Давньої межі не пересувай й не вривайся в сирітське поле,
10Verleg de grenzen van weduwen niet En raak niet aan de akker van wezen;
11Заступник бо в них сильний; він вмішається в справу їх проти тебе.
11Want hun Losser is sterk, Hij neemt het voor hen tegen u op.
12Прихили серце твоє до науки, й уши твої — до слів розумних.
12Neem een vermaning wel ter harte Open uw oren voor verstandige taal.
13Некараним твого хлопця не лишай; як укараєш його лозиною — він не вмре;
13Ge moet een knaap geen vermaning sparen, Al slaat ge hem met een stok, hij gaat er niet van dood;
14Ти покараєш його лозиною й врятуєш душу його од преисподньої.
14Want als ge hem met een stok hebt geslagen, Hebt ge hem van de onderwereld gered.
15Мій сину! коли серце в тебе буде мудре, то й моє серце буде радїти;
15Mijn kind, als úw hart wijs is, Zal ook mijn hart zich verheugen;
16Ба й все внутро моє буде веселитись, коли уста твої говорити муть право.
16Mijn ziel zal jubelen, Als uw lippen juiste dingen zeggen.
17Не завидуй в серцї ледачим; нехай по всяк день перебуває воно в страсї Господнїм;
17Laat uw hart niet jaloers zijn op zondaars, Maar ijveren voor de vrees voor Jahweh, iedere dag;
18Бо є будущина, й надїя твоя не буде марна.
18Als ge die bewaart, is er toekomst, En zal uw verwachting niet worden beschaamd.
19Слухай, сину мій, і будь мудрим, та справляй серце твоє на дорогу праву.
19Mijn zoon, luister en wees wijs, Breng uw hart op het rechte pad.
20Не бувай між тими, що впиваються вином, анї між тими, що переїдаються мясивом, —
20Doe niet mee met wijnslempers, Met hen, die zich aan vlees te buiten gaan;
21Пяницї бо й немірні зʼубожіють, а довге їх спаннє вбере їх у лахи.
21Want een drinker en een veelvraat verarmt, De roes hult iemand in lompen.
22Слухняним батьку будь, що від него родився, не нехтуй неньки, хоч вона буде вже й старенька.
22Luister naar uw vader, die u heeft verwekt, Minacht uw moeder niet, als ze oud is geworden.
23Купуй правду, й не збувай мудростї, науки й розуму нї за які достатки.
23Verwerf u waarheid, en verkoop ze niet, Wijsheid, tucht en inzicht.
24Отець праведного веселиться, і хто мудрого вродив, радується ним.
24Innig verheugt zich de vader van een rechtschapene, Wie een wijze baarde, beleeft genoegen aan hem:
25Нехай же радїє й твій отець, і ненька, що тебе зродила, нехай веселиться.
25Zo moge uw vader zich over u verheugen, Zij zich verblijden, die u ter wereld bracht.
26Оддай менї твоє, мій сину, серце, а путь мою нехай твої стережуть очі.
26Mijn zoon, schenk mij uw hart, Laat uw ogen op mijn wegen letten;
27Блудниця — се глибока пропасть; тїсний колодїзь — чужая жінка;
27Want een deerne is een diepe kuil, Een vreemde vrouw een nauwe put.
28Мов харцизяка, вона засїдає, й намножує між людьми переступників.
28Ja, zij ligt op de loer als een rover, En maakt vele mensen ontrouw.
29У кого зойки? у кого стогін? у кого сварка? у кого горе? хто ранить без причини? в кого червоні очі?
29Waar klinkt ach, en waar klinkt wee; Waar heerst twist, waar nijpen de zorgen? Waar worden zonder reden wonden geslagen, Waar worden de blikken beneveld?
30У тих, що при винї седять довго, у тих, що в напитках дошукуються аж гущі-приправи.
30Waar men nog laat aan de wijn zit, Waar men komt, om de drank te keuren.
31Не призирайся вину, як у кубку грає, як гарно сьвітиться й легко осїдає!
31Zie niet om naar de wijn, hoe rood hij is, Hoe hij fonkelt in het glas. Wel glijdt hij zachtjes naar binnen, Vloeiend langs lippen en tanden.
32Опісля воно укусить, як гадюка, мов гаспид-василиск, отрути впустить.
32Maar ten leste bijt hij als een slang, Is hij giftig als een adder.
33Очима будеш ти на жен чужих дивитись, і серце в тебе розворотне промовить,
33Uw ogen zien vreemde dingen, Uw hart slaat wartaal uit;
34І будеш ти, як той, що дремле серед моря, мов той, що в горі спить на щоглї;
34Ge voelt u als iemand, die dobbert op zee, Als een matroos bij zware storm:
35Били, мовляв, мене, а мене не болїло, товкли мене, я ж того не чув; як розбуркаюсь, то знов почну того ж шукати.
35“Ze hebben me geslagen, en ik voelde het niet, Ze hebben me gebeukt, en ik merkte het niet! Wanneer ben ik weer wakker? Dan ga ik er nog eens op uit!”

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.