Proverbiorum
Chapter 11
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Proverbiorum 11

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Statera dolosa abominatio est apud Dominum, et pondus æquum voluntas ejus.
1Van een valse weegschaal heeft Jahweh een afschuw, Hij houdt van een zuiver gewicht.
2Ubi fuerit superbia, ibi erit et contumelia; ubi autem est humilitas, ibi et sapientia.
2Komt de overmoed, dan komt ook de schande; Alleen bij ootmoedigen is wijsheid.
3Simplicitas justorum diriget eos, et supplantatio perversorum vastabit illos.
3De vromen worden door hun deugd geleid; Hun eigen valsheid stort de zondaars in het verderf.
4Non proderunt divitiæ in die ultionis; justitia autem liberabit a morte.
4Op de dag van gramschap kan rijkdom niet baten, Alleen de rechtvaardigheid redt van de dood.
5Justitia simplicis diriget viam ejus, et in impietate sua corruet impius.
5De weg van den rechtvaardige wordt door zijn deugd geëffend, Maar de boze komt door zijn boosheid ten val.
6Justitia rectorum liberabit eos, et in insidiis suis capientur iniqui.
6De rechtvaardigen worden door hun deugd gered, Maar de zondaars lopen door hun begeerlijkheid in de val.
7Mortuo homine impio, nulla erit ultra spes, et exspectatio sollicitorum peribit.
7Als een boosdoener sterft, vervliegt zijn hoop; De verwachting der zondaars loopt uit op niets
8Justus de angustia liberatus est, et tradetur impius pro eo.]
8De rechtvaardige wordt uit de verdrukking gered, En de boze komt in zijn plaats.
9[Simulator ore decipit amicum suum; justi autem liberabuntur scientia.
9Met zijn mond tracht de onverlaat zijn naaste te gronde te richten, Maar door hun kennis worden de rechtvaardigen gered.
10In bonis justorum exsultabit civitas, et in perditione impiorum erit laudatio.
10Om de voorspoed der rechtvaardigen jubelt de stad, Maar er wordt gejuicht bij de ondergang der bozen.
11Benedictione justorum exaltabitur civitas, et ore impiorum subvertetur.
11Door de zegenbeden der deugdzamen komt een stad tot bloei, Door de mond der bozen wordt ze verwoest.
12Qui despicit amicum suum indigens corde est; vir autem prudens tacebit.
12Een onverstandig mens smaalt op zijn naaste, Een man van inzicht zwijgt.
13Qui ambulat fraudulenter, revelat arcana; qui autem fidelis est animi, celat amici commissum.
13Wie lasterend rondgaat, verraadt licht een geheim; Een betrouwbaar karakter houdt de zaak vóór zich.
14Ubi non est gubernator, populus corruet; salus autem, ubi multa consilia.
14Bij gebrek aan overleg komt een volk ten val, De redding berust op veel beraad.
15Affligetur malo qui fidem facit pro extraneo; qui autem cavet laqueos securus erit.
15Slecht vergaat het hem, die borg blijft voor een vreemde; Maar wie de handslag mijdt, leeft gerust.
16Mulier gratiosa inveniet gloriam, et robusti habebunt divitias.]
16Een lieve vrouw dwingt eerbied af; Maar een vrouw, die oprechtheid haat, is een schandvlek. De luiaards krijgen geen vermogen Stoere werkers geraken tot welstand.
17[Benefacit animæ suæ vir misericors; qui autem crudelis est, etiam propinquos abjicit.
17Een vriendelijk mens doet zich zelven goed, Een wreedaard kwelt zijn eigen vlees.
18Impius facit opus instabile, seminanti autem justitiam merces fidelis.
18Een boze maakt winst, die niet gedijt; Maar wie gerechtigheid zaait, oogst waarachtig gewin.
19Clementia præparat vitam, et sectatio malorum mortem.
19Een deugdzaam mens gaat ten leven; Maar wie het kwade najaagt, zoekt zijn eigen dood.
20Abominabile Domino cor pravum, et voluntas ejus in iis qui simpliciter ambulant.
20Jahweh heeft een afschuw van valse karakters, Maar welbehagen in hen, die onberispelijk wandelen.
21Manus in manu non erit innocens malus; semen autem justorum salvabitur.
21De hand erop: een boze zal zijn straf niet ontlopen, Maar het geslacht der rechtvaardigen wordt behouden.
22Circulus aureus in naribus suis, mulier pulchra et fatua.
22Een gouden ring in een varkenssnuit, Is een knappe vrouw, die geen hersens heeft.
23Desiderium justorum omne bonum est; præstolatio impiorum furor.
23De wens der rechtvaardigen loopt uit op geluk, De verwachting der bozen op toorn.
24Alii dividunt propria, et ditiores fiunt; alii rapiunt non sua, et semper in egestate sunt.
24Er zijn mensen, die maar uitdelen, en nòg worden ze rijker; Anderen, die maar oppotten, en ze gaan achteruit.
25Anima quæ benedicit impinguabitur, et qui inebriat, ipse quoque inebriabitur.
25Iemand, die weldoet, wordt welgedaan; En wie iemand te drinken geeft, zal worden gelaafd.
26Qui abscondit frumenta maledicetur in populis; benedictio autem super caput vendentium.
26Wie het koren inhoudt, wordt door het volk verwenst, Maar een zegenbede daalt op het hoofd van wie het verkoopt.
27Bene consurgit diluculo qui quærit bona; qui autem investigator malorum est, opprimetur ab eis.
27Wie naar het goede streeft, vindt welbehagen; Wie het kwaad najaagt, hem zal het treffen.
28Qui confidit in divitiis suis corruet: justi autem quasi virens folium germinabunt.
28Wie op rijkdom vertrouwt, zal verwelken; Maar de rechtvaardigen botten als bladeren uit.
29Qui conturbat domum suam possidebit ventos, et qui stultus est serviet sapienti.
29Wie zijn huis verwaarloost, oogst storm; Een dwaas wordt slaaf van een verstandig mens.
30Fructus justi lignum vitæ, et qui suscipit animas sapiens est.
30De vrucht der gerechtigheid is een levensboom, Het onrecht echter verwoest mensenlevens.
31Si justus in terra recipit, quanto magis impius et peccator !]
31Als een rechtvaardige op aarde krijgt wat hem toekomt, Hoeveel te meer dan de boze en de zondaar!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.