Přísloví 11
Kralice Bible (1613)Translation
Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Váha falešná ohavností jest Hospodinu, ale závaží pravé líbí se jemu.
1Van een valse weegschaal heeft Jahweh een afschuw, Hij houdt van een zuiver gewicht.
2Za pýchou přichází zahanbení, ale při pokorných jest moudrost.
2Komt de overmoed, dan komt ook de schande; Alleen bij ootmoedigen is wijsheid.
3Sprostnost upřímých vodí je, převrácenost pak přestupníků zatracuje je.
3De vromen worden door hun deugd geleid; Hun eigen valsheid stort de zondaars in het verderf.
4Neprospíváť bohatství v den hněvu, ale spravedlnost vytrhuje z smrti.
4Op de dag van gramschap kan rijkdom niet baten, Alleen de rechtvaardigheid redt van de dood.
5Spravedlnost upřímého spravuje cestu jeho, ale pro bezbožnost svou padá bezbožný.
5De weg van den rechtvaardige wordt door zijn deugd geëffend, Maar de boze komt door zijn boosheid ten val.
6Spravedlnost upřímých vytrhuje je, ale přestupníci v zlosti zjímáni bývají.
6De rechtvaardigen worden door hun deugd gered, Maar de zondaars lopen door hun begeerlijkheid in de val.
7Když umírá člověk bezbožný, hyne naděje, i očekávání rekovských činů mizí.
7Als een boosdoener sterft, vervliegt zijn hoop; De verwachting der zondaars loopt uit op niets
8Spravedlivý z úzkosti bývá vysvobozen, bezbožný pak přichází na místo jeho.
8De rechtvaardige wordt uit de verdrukking gered, En de boze komt in zijn plaats.
9Pokrytec ústy kazí bližního svého, ale spravedliví uměním vytrženi bývají.
9Met zijn mond tracht de onverlaat zijn naaste te gronde te richten, Maar door hun kennis worden de rechtvaardigen gered.
10Z štěstí spravedlivých veselí se město, když pak hynou bezbožní, bývá prozpěvování.
10Om de voorspoed der rechtvaardigen jubelt de stad, Maar er wordt gejuicht bij de ondergang der bozen.
11Požehnáním spravedlivých zvýšeno bývá město, ústy pak bezbožných vyvráceno.
11Door de zegenbeden der deugdzamen komt een stad tot bloei, Door de mond der bozen wordt ze verwoest.
12Pohrdá bližním svým blázen, ale muž rozumný mlčí.
12Een onverstandig mens smaalt op zijn naaste, Een man van inzicht zwijgt.
13Utrhač toulaje se, pronáší tajnost, věrný pak člověk tají věc.
13Wie lasterend rondgaat, verraadt licht een geheim; Een betrouwbaar karakter houdt de zaak vóór zich.
14Kdež není dostatečné rady, padá lid, ale spomožení jest ve množství rádců.
14Bij gebrek aan overleg komt een volk ten val, De redding berust op veel beraad.
15Velmi sobě škodí, kdož slibuje za cizího, ješto ten, kdož nenávidí rukojemství, bezpečen jest.
15Slecht vergaat het hem, die borg blijft voor een vreemde; Maar wie de handslag mijdt, leeft gerust.
16Žena šlechetná má čest, a ukrutní mají zboží.
16Een lieve vrouw dwingt eerbied af; Maar een vrouw, die oprechtheid haat, is een schandvlek. De luiaards krijgen geen vermogen Stoere werkers geraken tot welstand.
17Èlověk účinný dobře činí životu svému, ale ukrutný kormoutí tělo své.
17Een vriendelijk mens doet zich zelven goed, Een wreedaard kwelt zijn eigen vlees.
18Bezbožný dělá dílo falešné, ale kdož rozsívá spravedlnost, má mzdu jistou.
18Een boze maakt winst, die niet gedijt; Maar wie gerechtigheid zaait, oogst waarachtig gewin.
19Tak spravedlivý rozsívá k životu, a kdož následuje zlého, k smrti své.
19Een deugdzaam mens gaat ten leven; Maar wie het kwade najaagt, zoekt zijn eigen dood.
20Ohavností jsou Hospodinu převrácení srdcem, ale ctného obcování líbí se jemu.
20Jahweh heeft een afschuw van valse karakters, Maar welbehagen in hen, die onberispelijk wandelen.
21Zlý, by sobě i na pomoc přivzal, neujde pomsty, símě pak spravedlivých uchází toho.
21De hand erop: een boze zal zijn straf niet ontlopen, Maar het geslacht der rechtvaardigen wordt behouden.
22Zápona zlatá na pysku svině jest žena pěkná bez rozumu.
22Een gouden ring in een varkenssnuit, Is een knappe vrouw, die geen hersens heeft.
23Žádost spravedlivých jest toliko dobrých věcí, ale očekávání bezbožných hněv.
23De wens der rechtvaardigen loopt uit op geluk, De verwachting der bozen op toorn.
24Mnohý rozdává štědře, a však přibývá mu více; jiný skoupě drží nad slušnost, ale k chudobě.
24Er zijn mensen, die maar uitdelen, en nòg worden ze rijker; Anderen, die maar oppotten, en ze gaan achteruit.
25Èlověk štědrý bývá bohatší, a kdož svlažuje, také sám bude zavlažen.
25Iemand, die weldoet, wordt welgedaan; En wie iemand te drinken geeft, zal worden gelaafd.
26Kdo zadržuje obilí, zlořečí mu lid; ale požehnání na hlavě toho, kdož je prodává.
26Wie het koren inhoudt, wordt door het volk verwenst, Maar een zegenbede daalt op het hoofd van wie het verkoopt.
27Kdo pilně hledá dobrého, nalézá přízeň; kdož pak hledá zlého, potká jej.
27Wie naar het goede streeft, vindt welbehagen; Wie het kwaad najaagt, hem zal het treffen.
28Kdo doufá v bohatství své, ten spadne, ale spravedliví jako ratolest zkvetnou.
28Wie op rijkdom vertrouwt, zal verwelken; Maar de rechtvaardigen botten als bladeren uit.
29Kdo kormoutí dům svůj, za dědictví bude míti vítr, a blázen sloužiti musí moudrému.
29Wie zijn huis verwaarloost, oogst storm; Een dwaas wordt slaaf van een verstandig mens.
30Ovoce spravedlivého jest strom života, a kdož vyučuje duše, jest moudrý.
30De vrucht der gerechtigheid is een levensboom, Het onrecht echter verwoest mensenlevens.
31Aj, spravedlivému na zemi odplacováno bývá, čím více bezbožnému a hříšníku?
31Als een rechtvaardige op aarde krijgt wat hem toekomt, Hoeveel te meer dan de boze en de zondaar!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.