Přísloví 17
Kralice Bible (1613)Translation
Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Lepší jest kus chleba suchého s pokojem, nežli dům plný nabitých hovad s svárem.
1Beter een droog stuk brood met vrede erbij, Dan een huis vol feestmaaltijden en twist.
2Služebník rozumný panovati bude nad synem, kterýž jest k hanbě, a mezi bratřími děliti bude dědictví.
2Een verstandige knecht heeft meer te zeggen dan een ontaarde zoon, En deelt met diens broeders de erfenis.
3Teglík stříbra a pec zlata zkušuje, ale srdcí Hospodin.
3De smeltkroes voor het zilver, de oven voor het goud; Maar de harten toetst Jahweh!
4Zlý člověk pozoruje řečí nepravých, a lhář poslouchá jazyka převráceného.
4De boosdoener luistert naar zondige taal, De valsaard heeft oor voor heilloze woorden.
5Kdo se posmívá chudému, útržku činí Učiniteli jeho; a kdo se z bídy raduje, nebude bez pomsty.
5Wie een arme bespot, smaadt zijn Schepper; Wie leedvermaak heeft, blijft niet ongestraft.
6Koruna starců jsou vnukové, a ozdoba synů otcové jejich.
6Kleinkinderen zijn de kroon der grijsaards, Vaders de trots van hun kinderen.
7Nesluší na blázna řeči znamenité, ovšem na kníže řeč lživá.
7Als oprechte taal een dwaas niet staat, Past een edelman zeker geen leugentaal.
8Jako kámen drahý, tak bývá vzácný dar před očima toho, kdož jej béře; k čemukoli směřuje, daří se jemu.
8Het geschenk is een toversteen voor wie het geeft; Waarheen hij zich wendt, hij heeft succes.
9Kdo přikrývá přestoupení, hledá lásky; ale kdo obnovuje věc, rozlučuje přátely.
9Wie een misdaad bemantelt, zoekt de vrede te bewaren; Wie de zaak weer ophaalt, brengt onenigheid tussen vrienden.
10Více se chápá rozumného jedno domluvení, nežli by blázna stokrát ubil.
10Op een verstandig mens maakt één vermaning meer indruk, Dan honderd slagen op een dwaas.
11Zpurný toliko zlého hledá, pročež přísný posel na něj poslán bývá.
11Een boze zoekt enkel verzet; Daarom stuurt men een wreden bode op hem af.
12Lépe člověku potkati se s nedvědicí osiřalou, nežli s bláznem v bláznovství jeho.
12Beter een berin te ontmoeten, van haar jongen beroofd, Dan een dwaas in zijn dwaasheid.
13Kdo odplacuje zlým za dobré, neodejdeť zlé z domu jeho.
13Als iemand goed met kwaad vergeldt, Zal van zijn huis het kwaad niet wijken.
14Začátek svady jest, jako když kdo protrhuje vodu; protož prvé než by se zsilil svár, přestaň.
14Als ruzie ontstaat, is het hek van de dam; Bind dus in, voor de twist losbarst.
15Kdož ospravedlňuje nepravého, i kdož odsuzuje spravedlivého, ohavností jsou Hospodinu oba jednostejně.
15Wie een boosdoener vrijspreekt en een onschuldige veroordeelt, Zijn beiden een even grote gruwel voor Jahweh.
16K čemu jest zboží v ruce blázna, když k nabytí moudrosti rozumu nemá?
16Waartoe dient geld in de hand van een dwaas, Om wijsheid te kopen, als hij toch geen verstand heeft?
17Všelikého času miluje, kdož jest přítelem, a bratr v ssoužení ukáže se.
17Een vriend laat altijd zijn genegenheid blijken, In tijd van nood toont hij zich als een broeder.
18Èlověk bláznivý ruku dávaje, činí slib před přítelem svým.
18Hoe kortzichtig de mens, die handslag geeft, En zich borg stelt voor zijn naaste.
19Kdož miluje svadu, miluje hřích; a kdo vyvyšuje ústa svá, hledá potření.
19Wie op ruzie gesteld is, is op zonde gesteld; Wie hooghartig spreekt, zoekt zijn eigen val.
20Převrácené srdce nenalézá toho, což jest dobrého; a kdož má vrtký jazyk, upadá v těžkost.
20Een vals karakter zal geen zegen ondervinden; Wie zijn woorden verdraait, zal in het ongeluk storten.
21Kdo zplodil blázna, k zámutku svému zplodil jej, aniž se bude radovati otec nemoudrého.
21Wie een domoor verwekt heeft, heeft zich hartzeer bezorgd; De vader van een zot kent geen vreugde.
22Srdce veselé očerstvuje jako lékařství, ale duch zkormoucený vysušuje kosti.
22Een blij hart doet het lichaam goed, Neerslachtigheid verdort het gebeente.
23Bezbožný tajně béře dar, aby převrátil stezky soudu.
23De boze neemt een geschenk uit de buidel aan, Om de wegen van het recht te verdraaien.
24Na oblíčeji rozumného vidí se moudrost, ale oči blázna těkají až na konec země.
24De verstandige houdt de wijsheid voor ogen, De ogen van een domoor dwalen af naar de uithoeken der aarde.
25K žalosti jest otci svému syn blázen, a k hořkosti rodičce své.
25Een dom kind is een ergernis voor zijn vader, Een verdriet voor haar, die het baarde.
26Jistě že pokutovati spravedlivého není dobré, tolikéž, aby knížata bíti měli pro upřímost.
26Onschuldigen beboeten is al niet goed; Maar edele mensen slaan, gaat alle perken te buiten!
27Zdržuje řeči své muž umělý; drahého ducha jest muž rozumný.
27Wie verstandig is, is spaarzaam met zijn woorden; Een man van ervaring is koelbloedig.
28Také i blázen, mlče, za moudrého jmín bývá, a zacpávaje rty své, za rozumného.
28Als hij zwijgt, geldt zelfs een dwaze voor wijs; Als hij zijn mond maar houdt, voor verstandig.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.