Sprüche 6
Lutherbibel 1912Translation
Lutherbibel 1912
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Mein Kind, wirst du Bürge für deinen Nächsten und hast deine Hand bei einem Fremden verhaftet,
1Mijn zoon, als ge voor een ander borg zijt gebleven, Uw handslag hebt gegeven ten bate van een vreemde,
2so bist du verknüpft durch die Rede deines Mundes und gefangen mit den Reden deines Mundes.
2Verstrikt zijt geraakt in uw eigen woorden, In uw eigen beloften gevangen:
3So tue doch, mein Kind, also und errette dich, denn du bist deinem Nächsten in die Hände gekommen: eile, dränge und treibe deinen Nächsten.
3Doe dan, mijn zoon, wat ik zeg, en red u eruit; Want ge zijt in de macht van uw naaste! Ga heen zonder talmen, Dring aan bij uw naaste;
4Laß deine Augen nicht schlafen, noch deinen Augenlider schlummern.
4Gun uw ogen geen rust, Uw wimpers geen slaap;
5Errette dich wie ein Reh von der Hand und wie eine Vogel aus der Hand des Voglers.
5Ruk u los als een gazelle uit de strik, Als een vogel uit de hand van den vogelaar.
6Gehe hin zur Ameise, du Fauler; siehe ihre Weise an und lerne!
6Luiaard, ga kijken naar de mier; Zie, hoe ze zwoegt, en word wijs!
7Ob sie wohl keinen Fürsten noch Hauptmann noch Herrn hat,
7Al heeft ze geen leider, Geen opzichter, geen heerser,
8bereitet sie doch ihr Brot im Sommer und sammelt ihre Speise in der Ernte.
8Toch zorgt ze in de zomer voor haar spijs, Zoekt ze in de oogsttijd haar voedsel bijeen.
9Wie lange liegst du, Fauler? Wann willst du aufstehen von deinem Schlaf?
9Luiaard, hoe lang blijft ge liggen, Wanneer zult ge ontwaken uit uw slaap?
10Ja, schlafe noch ein wenig, schlummere ein wenig, schlage die Hände ineinander ein wenig, daß du schlafest,
10Nog even slapen, nog even soezen, Nog even in bed de handen over elkaar:
11so wird dich die Armut übereilen wie ein Fußgänger und der Mangel wie ein gewappneter Mann.
11En de armoe overvalt u als een zwerver, Het gebrek als een rover!
12Ein heilloser Mensch, ein schädlicher Mann geht mit verstelltem Munde,
12Een nietsnut is het, een booswicht, Die omgaat met bedrieglijke taal;
13winkt mit Augen, deutet mit Füßen, zeigt mit Fingern,
13Die met de ogen knipt, met de voeten wenkt, En tekens geeft met de vingers;
14trachtet allezeit Böses und Verkehrtes in seinem Herzen und richtet Hader an.
14Die boze plannen smeedt in zijn hart, Steeds kwaad beraamt en ruzie zoekt!
15Darum wird ihm plötzlich sein Verderben kommen, und er wird schnell zerbrochen werden, da keine Hilfe dasein wird.
15Daarom zal hem de tegenspoed plotseling treffen, Zal hij met één slag bezwijken, zonder kans op herstel.
16Diese sechs Stücke haßt der HERR, und am siebenten hat er einen Greuel:
16Zes dingen zijn er die Jahweh haat, Van zeven heeft hij een afschuw:
17hohe Augen, falsche Zunge, Hände, die unschuldig Blut vergießen,
17Van brutale ogen; van een valse tong; Van handen, die onschuldig bloed vergieten;
18Herz, das mit böser Tücke umgeht, Füße, die behend sind, Schaden zu tun,
18Van een hart, dat boze plannen beraamt; Van voeten, die ten kwade spoeden;
19falscher Zeuge, der frech Lügen redet und wer Hader zwischen Brüdern anrichtet.
19Van een valsen getuige, die leugens verspreidt; Van iemand, die broedertwist stookt.
20Mein Kind, bewahre die Gebote deines Vaters und laß nicht fahren das Gesetz deiner Mutter.
20Mijn zoon, onderhoud het gebod van uw vader, Sla niet in de wind wat uw moeder u leerde;
21Binde sie zusammen auf dein Herz allewege und hänge sie an deinen Hals,
21Prent het voor altijd in uw hart, Wind het als een snoer om uw hals.
22wenn du gehst, daß sie dich geleiten; wenn du dich legst, daß sie dich bewahren; wenn du aufwachst, daß sie zu dir sprechen.
22Als ge wandelt, moge het u geleiden, Over u waken, als ge slaapt, Tot u spreken, wanneer ge ontwaakt.
23Denn das Gebot ist eine Leuchte und das Gesetz ein Licht, und die Strafe der Zucht ist ein Weg des Lebens,
23Want het gebod is een lamp, Het onderricht een licht, De straffe tucht een weg ten leven.
24auf daß du bewahrt werdest vor dem bösen Weibe, vor der glatten Zunge der Fremden.
24Het zal u behoeden voor de vrouw van een ander, Voor de gladde tong van een vreemde.
25Laß dich ihre Schöne nicht gelüsten in deinem Herzen und verfange dich nicht an ihren Augenlidern.
25Zet uw hart niet op haar schoonheid, Laat ze u niet met haar wimpers verleiden;
26Denn eine Hure bringt einen ums Brot; aber eines andern Weib fängt das edle Leben.
26Want de prijs van een deerne is een stuk brood, Maar de getrouwde vrouw maakt jacht op een kostelijk leven
27Kann auch jemand ein Feuer im Busen behalten, daß seine Kleider nicht brennen?
27Kan iemand soms vuur in zijn voorschoot nemen, Zonder dat hij zijn kleren schroeit;
28Wie sollte jemand auf Kohlen gehen, daß seine Füße nicht verbrannt würden?
28Of kan hij op gloeiende kolen lopen, Zonder dat hij zijn voeten brandt?
29Also gehet's dem, der zu seines Nächsten Weib geht; es bleibt keiner ungestraft, der sie berührt.
29Zo vergaat het hem, die zich afgeeft met de vrouw van een ander: Niemand die haar aanraakt, komt er straffeloos van af.
30Es ist einem Diebe nicht so große Schmach, ob er stiehlt, seine Seele zu sättigen, weil ihn hungert;
30Men veracht geen dief, zo hij enkel steelt, Om zijn maag te vullen, als hij honger heeft;
31und ob er ergriffen wird, gibt er's siebenfältig wieder und legt dar alles Gut in seinem Hause.
31Toch moet hij, eenmaal betrapt, zevenvoudig vergoeden, Alles geven wat hij in huis heeft.
32Aber wer mit einem Weibe die Ehe bricht, der ist ein Narr; der bringt sein Leben ins Verderben.
32Kortzichtig de man, die overspel pleegt met een vrouw: Wie zijn eigen ondergang wil, moet zo iets niet doen;
33Dazu trifft ihn Plage und Schande, und seine Schande wird nicht ausgetilgt.
33Schade en schande zal zo iemand belopen, Zijn slechte naam raakt hij nimmer meer kwijt.
34Denn der Grimm des Mannes eifert, und schont nicht zur Zeit der Rache
34Want de jaloezie van den man wekt de woede bij hem op, En op de dag van de wraak zal hij niemand ontzien;
35und sieht keine Person an, die da versöhne, und nimmt's nicht an, ob du viel schenken wolltest.
35Dan slaat hij op losgeld geen acht, Hij wil het niet, al biedt ge hem nog zo veel!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.