Proverbi 6
Diodati Bibbia 1885Translation
Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1FIGLIUOL mio, se tu hai fatta sicurtà al tuo prossimo, Se tu hai toccata la mano allo strano,
1Mijn zoon, als ge voor een ander borg zijt gebleven, Uw handslag hebt gegeven ten bate van een vreemde,
2Tu sei allacciato con le parole della tua bocca, Tu sei preso con le parole della tua bocca.
2Verstrikt zijt geraakt in uw eigen woorden, In uw eigen beloften gevangen:
3Ora fa' questo, figliuol mio, e riscuotiti; Poichè tu sei caduto in man del tuo prossimo, Va', gittati a' piedi de' tuoi amici, e sollecitali.
3Doe dan, mijn zoon, wat ik zeg, en red u eruit; Want ge zijt in de macht van uw naaste! Ga heen zonder talmen, Dring aan bij uw naaste;
4Non lasciar dormire gli occhi tuoi, Nè sonnecchiar le tue palpebre.
4Gun uw ogen geen rust, Uw wimpers geen slaap;
5Riscuotiti, come un cavriuolo di mano del cacciatore , E come un uccello di mano dell'uccellatore.
5Ruk u los als een gazelle uit de strik, Als een vogel uit de hand van den vogelaar.
6Va', pigro, alla formica; Riguarda le sue vie, e diventa savio;
6Luiaard, ga kijken naar de mier; Zie, hoe ze zwoegt, en word wijs!
7Conciossiachè ella non abbia nè capitano, Nè magistrato, nè signore;
7Al heeft ze geen leider, Geen opzichter, geen heerser,
8E pure ella apparecchia nella state il suo cibo, E raduna nella ricolta il suo mangiare.
8Toch zorgt ze in de zomer voor haar spijs, Zoekt ze in de oogsttijd haar voedsel bijeen.
9Infino a quando, o pigro, giacerai? Quando ti desterai dal tuo sonno?
9Luiaard, hoe lang blijft ge liggen, Wanneer zult ge ontwaken uit uw slaap?
10Dormendo un poco, sonnecchiando un poco, Piegando un poco le braccia per riposare;
10Nog even slapen, nog even soezen, Nog even in bed de handen over elkaar:
11La tua povertà verrà come un viandante, E la tua necessità come uno scudiere.
11En de armoe overvalt u als een zwerver, Het gebrek als een rover!
12L'uomo scellerato, l'uomo da nulla, Procede con perversità di bocca.
12Een nietsnut is het, een booswicht, Die omgaat met bedrieglijke taal;
13Egli ammicca con gli occhi, parla co' piedi, Accenna con le dita;
13Die met de ogen knipt, met de voeten wenkt, En tekens geeft met de vingers;
14Egli ha delle perversità nel suo cuore, Egli macchina del male in ogni tempo; Egli commette contese.
14Die boze plannen smeedt in zijn hart, Steeds kwaad beraamt en ruzie zoekt!
15Perciò in un momento verrà la sua ruina; Egli di subito sarà fiaccato, senza rimedio.
15Daarom zal hem de tegenspoed plotseling treffen, Zal hij met één slag bezwijken, zonder kans op herstel.
16Il Signore odia queste sei cose; Anzi queste sette son cosa abbominevole all'anima sua;
16Zes dingen zijn er die Jahweh haat, Van zeven heeft hij een afschuw:
17Gli occhi altieri, la lingua bugiarda, E la mani che spandono il sangue innocente,
17Van brutale ogen; van een valse tong; Van handen, die onschuldig bloed vergieten;
18Il cuore che divisa pensieri d'iniquità, I piedi che si affrettano per correre al male,
18Van een hart, dat boze plannen beraamt; Van voeten, die ten kwade spoeden;
19Il falso testimonio che sbocca menzogne, E colui che commette contese tra fratelli.
19Van een valsen getuige, die leugens verspreidt; Van iemand, die broedertwist stookt.
20FIGLIUOL mio, guarda il comandamento di tuo padre, E non lasciar l'insegnamento di tua madre;
20Mijn zoon, onderhoud het gebod van uw vader, Sla niet in de wind wat uw moeder u leerde;
21Tienli del continuo legati in sul tuo cuore, Ed avvinti in su la tua gola.
21Prent het voor altijd in uw hart, Wind het als een snoer om uw hals.
22Quando tu camminerai, quello ti guiderà; Quando tu giacerai, farà la guardia intorno a te; E quando tu ti risveglierai, ragionerà teco;
22Als ge wandelt, moge het u geleiden, Over u waken, als ge slaapt, Tot u spreken, wanneer ge ontwaakt.
23Perciocchè il comandamento è una lampana, E l'insegnamento è una luce, E le correzioni di disciplina son la via della vita;
23Want het gebod is een lamp, Het onderricht een licht, De straffe tucht een weg ten leven.
24Per guardarti dalla femmina malvagia, Dalle lusinghe della lingua della straniera.
24Het zal u behoeden voor de vrouw van een ander, Voor de gladde tong van een vreemde.
25Non invaghirti nel tuo cuore della sua bellezza; E non prendati ella con le sue palpebre.
25Zet uw hart niet op haar schoonheid, Laat ze u niet met haar wimpers verleiden;
26Perciocchè per una donna meretrice si viene fino ad un pezzo di pane; E la donna vaga d'uomini va a caccia dietro alle anime preziose.
26Want de prijs van een deerne is een stuk brood, Maar de getrouwde vrouw maakt jacht op een kostelijk leven
27Alcuno prenderà egli del fuoco in seno, Senza che i suoi vestimenti ne sieno arsi?
27Kan iemand soms vuur in zijn voorschoot nemen, Zonder dat hij zijn kleren schroeit;
28Alcuno camminerà egli sopra le brace, Senza bruciarsi i piedi?
28Of kan hij op gloeiende kolen lopen, Zonder dat hij zijn voeten brandt?
29Così avviene a chi entra dalla moglie del suo prossimo; Chiunque la tocca non sarà innocente.
29Zo vergaat het hem, die zich afgeeft met de vrouw van een ander: Niemand die haar aanraakt, komt er straffeloos van af.
30Ei non si scusa il ladro, quando egli ruba Per saziarsi, avendo fame;
30Men veracht geen dief, zo hij enkel steelt, Om zijn maag te vullen, als hij honger heeft;
31Anzi, se è colto, restituisce il furto a sette doppi, Egli dà tutta la sostanza di casa sua.
31Toch moet hij, eenmaal betrapt, zevenvoudig vergoeden, Alles geven wat hij in huis heeft.
32Chi commette adulterio con una donna è scemo di senno; Chi vuol perder l'anima sua faccia tal cosa.
32Kortzichtig de man, die overspel pleegt met een vrouw: Wie zijn eigen ondergang wil, moet zo iets niet doen;
33Egli troverà ferite ed ignominia; E il suo vituperio non sarà giammai cancellato.
33Schade en schande zal zo iemand belopen, Zijn slechte naam raakt hij nimmer meer kwijt.
34Perciocchè la gelosia è un furor dell'uomo; Ed egli non risparmierà nel giorno della vendetta.
34Want de jaloezie van den man wekt de woede bij hem op, En op de dag van de wraak zal hij niemand ontzien;
35Egli non avrà riguardo ad alcun riscatto; Ed avvegnachè tu moltiplichi i presenti, non però li accetterà.
35Dan slaat hij op losgeld geen acht, Hij wil het niet, al biedt ge hem nog zo veel!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.