Proverbi
Chapter 13
Diodati Bibbia 1885
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Proverbi 13

Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Il figliuol savio ascolta l'ammaestramento di suo padre; Ma lo schernitore non ascolta riprensione.
1Een verstandig kind volgt de tucht van zijn vader, Een deugniet is doof voor verwijten.
2L'uomo mangerà del bene del frutto delle sue labbra; Ma l'anima degli scellerati mangerà del frutto di violenza.
2De goede geniet van de vrucht der gerechtigheid Het verlangen der zondaars gaat uit naar geweld.
3Chi guarda la sua bocca preserva l'anima sua; Ma ruina avverrà a chi apre disordinatamente le sue labbra.
3Wie op zijn mond let, behoedt zichzelf; Maar wie zijn lippen openspalkt, hèm dreigt gevaar.
4L'anima del pigro appetisce, e non ha nulla; Ma l'anima de' diligenti sarà ingrassata.
4De begeerte van den luiaard blijft onvervuld, Het verlangen der vlijtigen wordt ruimschoots bevredigd.
5Il giusto odia la parola bugiarda; Ma l'empio si rende puzzolente ed infame.
5De rechtvaardige heeft een afkeer van leugentaal, Maar de boze smaadt en schimpt.
6La giustizia guarda colui che è intiero di via; Ma l'empietà sovverte il peccatore.
6De deugd beschermt hem, die onberispelijk wandelt, De boosheid brengt de zondaars ten val.
7Vi è tale che si fa ricco, e non ha nulla; Tale altresì che si fa povero, ed ha di gran facoltà.
7Er zijn er, die zich rijk houden, maar alles ontberen; Ook, die zich arm voordoen, en kapitalen bezitten.
8Le ricchezze dell'uomo sono il riscatto della sua vita; Ma il povero non ode alcuna minaccia.
8Met rijkdom kan men zijn leven kopen, Maar de arme kan geen losprijs vinden.
9La luce de' giusti sarà lieta; Ma la lampana degli empi sarà spenta.
9Het licht der rechtvaardigen brandt lustig, De lamp der bozen gaat uit.
10Per orgoglio non si produce altro che contese; Ma la sapienza è con quelli che si consigliano.
10Overmoed geeft enkel twist, Alleen bij ootmoedigen is wijsheid.
11Le ricchezze procedenti da vanità scemeranno; Ma chi raduna con la mano le accrescerà.
11Snel verworven rijkdom slinkt even vlug weg; Alleen wie gestadig verzamelt, wordt rijk.
12La speranza prolungata fa languire il cuore; Ma il desiderio adempiuto è un albero di vita.
12Langdurig wachten sloopt het hart, Maar een vervulde wens is een boom des levens.
13Chi sprezza la parola andrà in perdizione; Ma chi riverisce il comandamento riceverà retribuzione.
13Wie het bevel niet telt, wordt ervoor gestraft; Wie het voorschrift eerbiedigt, wordt beloond.
14L'insegnamento di un savio è una fonte di vita, Per ritrarsi da' lacci della morte.
14Het onderricht van den wijze is een bron van leven; Men vermijdt er mee de strikken des doods.
15Buon senno reca grazia; Ma il procedere de' perfidi è duro.
15Gezond verstand maakt bemind, Het gedrag der veinzaards leidt tot hun eigen verderf.
16L' uomo avveduto fa ogni cosa con conoscimento; Ma il pazzo spande follia.
16Een wijze doet alles met beleid, Maar een zot kraamt zijn dwaasheid uit.
17Il messo malvagio caderà in male; Ma l'ambasciator fedele reca sanità.
17Een onbekwaam boodschapper brengt ongeluk aan, Een betrouwbaar gezant wendt het af.
18Povertà ed ignominia avverranno a chi schifa la correzione; Ma chi osserva la riprensione sarà onorato.
18Armoe en schande voor wie de berisping niet telt; Maar wie een vermaning ter harte neemt, wordt geëerd.
19Il desiderio adempiuto è cosa soave all'anima; Ed agli stolti è cosa abbominevole lo stornarsi dal male.
19Een vervulde wens is zoet voor de ziel, Het kwaad te mijden is voor de bozen een gruwel.
20Chi va co' savi diventerà savio; Ma il compagno degli stolti diventerà malvagio.
20Wie met wijzen omgaat wordt wijs; Wie het met dwazen houdt, vergaat het slecht.
21Il male perseguita i peccatori; Ma Iddio renderà il bene a' giusti.
21De zondaars zit het ongeluk op de hielen, Welvaart is het deel der rechtvaardigen.
22L'uomo da bene lascerà la sua eredità a' figliuoli de' figliuoli; Ma le facoltà del peccatore son riserbate al giusto.
22De deugdzame laat zijn kleinkinderen een erfenis na, Wat een zondaar bezit, is voor den rechtvaardige bestemd.
23Il campo lavorato de' poveri produce abbondanza di cibo; Ma vi è tale che è consumato per mancamento di buon governo.
23Veel voedsel geeft het braakland der armen, Maar door onrecht gaat het meeste verloren.
24Chi risparmia la sua verga odia il suo figliuolo; Ma chi l'ama gli procura correzione per tempo.
24Wie de roede spaart, houdt niet van zijn kind; Want wie het liefheeft, kastijdt het.
25Il giusto mangerà a sazietà dell'anima sua; Ma il ventre degli empi avrà mancamento.
25De rechtvaardige kan eten tot verzadigens toe, De maag der bozen komt te kort.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.