ΠΑΡΟΙΜΙΑΙ 28
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΦΕΥΓΕΙ ἀσεβὴς μηδενὸς διώκοντος, δίκαιος δὲ ὥσπερ λέων πέποιθε.
1De boze vlucht, ook al wordt hij niet vervolgd; De rechtvaardige voelt zich veilig als een leeuw.
2δι᾿ ἁμαρτίας ἀσεβῶν κρίσεις ἐγείρονται, ἀνὴρ δὲ πανοῦργος κατασβέσει αὐτάς.
2De misdaad van tyrannen doet twisten ontstaan; Door een verstandig man worden ze bijgelegd
3ἀνδρεῖος ἐν ἀσεβείαις συκοφαντεῖ πτωχούς. ὥσπερ ὑετὸς λάβρος καὶ ἀνωφελής,
3Een man, die rijk is, maar de armen verdrukt, Is een regen, die wegspoelt, geen brood geeft.
4οὕτως οἱ ἐγκαταλείποντες τὸν νόμον ἐγκωμιάζουν ἀσέβειαν, οἱ δὲ ἀγαπῶντες τὸν νόμον περιβάλλουσιν ἑαυτοῖς τεῖχος.
4Die om de wet niet geven, prijzen den boze; Die de wet onderhouden, zijn kwaad op hem.
5ἄνδρες κακοὶ οὐ νοήσουσι κρίμα, οἱ δὲ ζητοῦντες τὸν Κύριον συνήσουσιν ἐν παντί.
5Slechte mensen verstaan geen recht, Maar die Jahweh zoeken begrijpen alles.
6κρείσσων πτωχὸς πορευόμενος ἐν ἀληθείᾳ, πλουσίου ψευδοῦς.
6Beter een arme, die onberispelijk wandelt, Dan een rijke, die verkeerde wegen gaat.
7φυλάσσει νόμον υἱὸς συνετός, ὃς δὲ ποιμαίνει ἀσωτίαν ἀτιμάζει πατέρα.
7Het kind, dat de Wet onderhoudt, is verstandig; Maar gaat het om met verkwisters, het maakt zijn vader beschaamd.
8ὁ πληθύνων τὸν πλοῦτον αὐτοῦ μετὰ τόκων καὶ πλεονασμῶν, τῷ ἐλεῶντι πτωχοὺς συνάγει αὐτόν.
8Wie zijn bezit vermeerdert met rente en toeslag, Spaart het op voor hem, die goed is voor de armen.
9ὁ ἐκκλίνων τὸ οὖς αὐτοῦ μὴ εἰσακοῦσαι νόμου, καὶ αὐτὸς τὴν προσευχὴν αὐτοῦ ἐβδέλυκται.
9Wie weigert, naar de Wet te luisteren, Is een gruwel, zelfs als hij bidt.
10ὃς πλανᾷ εὐθεῖς ἐν ὁδῷ κακῇ, εἰς διαφθορὰν αὐτὸς ἐμπεσεῖται· οἱ δὲ ἄνομοι διελεύσονται ἀγαθά, καὶ οὐκ εἰσελεύσονται εἰς αὐτά.
10Wie brave mensen op het slechte pad brengt, Valt zelf in zijn eigen kuil. Deugdzamen zullen het goede verwerven
11σοφὸς παρ᾿ ἑαυτῷ ἀνὴρ πλούσιος, πένης δὲ νοήμων καταγνώσεται αὐτοῦ.
11Een rijkaard denkt, dat hij wijs is; Een arme, maar verstandige drommel doorziet hem.
12διὰ βοήθειαν δικαίων πολλὴν γίνεται δόξα, ἐν δὲ τόποις ἀσεβῶν ἁλίσκονται ἄνθρωποι.
12Als de rechtvaardigen juichen, is de welvaart groot; Krijgen bozen de macht, dan zijn de mensen zoek.
13ὁ ἐπικαλύπτων ἀσέβειαν ἑαυτοῦ οὐκ εὐοδωθήσεται, ὁ δὲ ἐξηγούμενος ἐλέγχους ἀγαπηθήσεται.
13Wie zijn zonden verheimelijkt, zal geen voorspoed hebben; Wie ze belijdt en laat varen, zal vergiffenis krijgen.
14μακάριος ἀνήρ, ὃς καταπτήσσει πάντα δι᾿ εὐλάβειαν, ὁ δὲ σκληρὸς τὴν καρδίαν ἐμπεσεῖται κακοῖς.
14Gelukkig de mens, die altijd angstvallig is; Wie zijn hart afstompt, valt in het kwaad.
15λέων πεινῶν καὶ λύκος διψῶν, ὃς τυραννεῖ, πτωχὸς ὤν, ἔθνους πενιχροῦ.
15Een brullende leeuw en een roofzuchtige beer: Dat is een goddeloos heerser over een behoeftig volk.
16βασιλεὺς ἐνδεὴς προσόδων μέγας συκοφάντης, ὁ δὲ μισῶν ἀδικίαν μακρὸν χρόνον ζήσεται.
16Een kortzichtig vorst maakt zich aan veel afpersing schuldig; Haat hij oneerlijke winst, dan leeft hij lang.
17ἄνδρα τὸν ἐν αἰτίᾳ φόνου ὁ ἐγγυώμενος, φυγὰς ἔσται καὶ οὐκ ἐν ἀσφαλείᾳ. 17α παίδευε υἱὸν καὶ ἀγαπήσει σε, καὶ δώσει κόσμον τῇ σῆ ψυχῇ· οὐ μὴ ὑπακούσει ἔθνει παρανόμῳ.
17Een mens, die bezwaard is door bloedschuld, Moet tot het graf een vluchteling blijven, door niemand geholpen.
18ὁ πορευόμενος δικαίως βεβοήθηται, ὁ δὲ σκολιαῖς ὁδοῖς πορευόμενος ἐμπλακήσεται.
18Wie onberispelijk wandelt, wordt gered; Wie verkeerde wegen gaat, valt in een kuil.
19ὁ ἐργαζόμενος τὴν ἑαυτοῦ γῆν πλησθήσεται ἄρτων, ὁ δὲ διώκων σχολὴν πλησθήσεται πενίας.
19Wie een akker bebouwt, heeft eten genoeg; Wie zijn tijd verbeuzelt, zit volop in de armoe.
20ἀνὴρ ἀξιόπιστος πολλὰ εὐλογηθήσεται, ὁ δὲ κακὸς οὐκ ἀτιμώρητος ἔσται.
20Een eerlijk mens wordt rijkelijk gezegend; Wie te spoedig rijk wil worden, blijft niet ongestraft.
21ὃς οὐκ αἰσχύνεται πρόσωπα δικαίων, οὐκ ἀγαθός· ὁ τοιοῦτος ψωμοῦ ἄρτου ἀποδώσεται ἄνδρα.
21Partijdigheid is altijd verkeerd: Voor een stuk brood kan iemand een misdrijf begaan.
22σπεύδει πλουτεῖν ἀνὴρ βάσκανος, καὶ οὐκ οἶδεν ὅτι ἐλεήμων κρατήσει αὐτοῦ.
22Een boosaardig mens wil spoedig rijk worden, Niet vermoedend, dat het gebrek hem wacht.
23ὁ ἐλέγχων ἀνθρώπου ὁδοὺς χάριτας ἕξει μᾶλλον τοῦ γλωσσοχαριτοῦντος.
23Wie iemand vermaant, oogst later dank, Meer dan iemand met een gladde tong.
24ὃς ἀποβάλλεται πατέρα ἢ μητέρα, καὶ δοκεῖ μὴ ἁμαρτάνειν, οὗτος κοινωνός ἐστιν ἀνδρὸς ἀσεβοῦς.
24Wie zijn vader en moeder berooft, en zegt: “Het is niet verkeerd”, Is een gezel van den misdadiger.
25ἄπιστος ἀνὴρ κρίνει εἰκῆ, ὃς δὲ πέποιθεν ἐπὶ Κύριον ἐν ἐπιμελείᾳ ἔσται.
25Een hebzuchtig mens stookt ruzie; Wie op Jahweh vertrouwt, heeft het goed.
26ὃς πέποιθε θρασείᾳ καρδίᾳ, ὁ τοιοῦτος ἄφρων· ὃς δὲ πορεύεται σοφίᾳ σωθήσεται.
26Wie op zichzelf vertrouwt, is een domoor; Wie in wijsheid wandelt, wordt gered.
27ὃς δίδωσι πτωχοῖς, οὐκ ἐνδεηθήσεται, ὃς δὲ ἀποστρέφει τὸν ὀφθαλμὸν αὐτοῦ, ἐν πολλῇ ἀπορίᾳ ἔσται.
27Wie aan een arme geeft, krijgt geen gebrek; Wie zijn ogen voor hem sluit, wordt diep vervloekt.
28ἐν τόποις ἀσεβῶν στένουσι δίκαιοι, ἐν δὲ τῇ ἐκείνων ἀπωλείᾳ πληθυνθήσονται δίκαιοι.
28Krijgen bozen de macht, dan bergt zich de mens; Als zij ten onder gaan, worden de rechtvaardigen talrijk.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.