ΠΑΡΟΙΜΙΑΙ 19
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1...
1Beter een arme, die onberispelijk wandelt, Dan een rijke, die verkeerde wegen gaat.
no verse 2 in this text
2Zonder verstand deugt zelfs de ijver niet; Wie te haastig loopt, doet een misstap.
3ΑΦΡΟΣΥΝΗ ἀνδρὸς λυμαίνεται τὰς ὁδοὺς αὐτοῦ, τὸν δὲ Θεὸν αἰτιᾶται τῇ καρδίᾳ αὐτοῦ.
3Door zijn dwaasheid komt de mens op het verkeerde pad, Maar hij zelf wijt het aan Jahweh!
4πλοῦτος προστίθησι φίλους πολλούς, ὁ δὲ πτωχὸς καὶ ἀπὸ τοῦ ὑπάρχοντος φίλου λείπεται.
4Rijkdom maakt vele vrienden, Een arme raakt zijn vrienden kwijt.
5μάρτυς ψευδὴς οὐκ ἀτιμώρητος ἔσται, ὁ δὲ ἐγκαλῶν ἀδίκως οὐ διαφεύξεται.
5Een onbetrouwbaar getuige blijft niet ongestraft; Wie leugens verspreidt, zal niet ontkomen.
6πολλοὶ θεραπεύουσι πρόσωπα βασιλέων, πᾶς δὲ ὁ κακὸς γίνεται ὄνειδος ἀνδρί.
6Velen dingen naar de gunst van een voorname; Wie geschenken geeft, heeft allen tot vriend.
7πᾶς, ὃς ἀδελφὸν πτωχὸν μισεῖ, καὶ φιλίας μακρὰν ἔσται. ἔννοια ἀγαθὴ τοῖς εἰδόσιν αὐτὴν ἐγγιεῖ, ἀνὴρ δὲ φρόνιμος εὑρήσει αὐτήν. ὁ πολλὰ κακοποιῶν τελεσιουργεῖ κακίαν, ὃς δὲ ἐρεθίζει λόγους οὐ σωθήσεται.
7Als een arme al door zijn broers wordt gehaat, Hoever zullen zijn vrienden zich dan van hem terugtrekken! Wie te veel spreekt, wordt een meester in de boosheid; Wie woorden najaagt, ontkomt niet.
8ὁ κτώμενος φρόνησιν ἀγαπᾷ ἑαυτόν, ὃς δὲ φυλάσσει φρόνησιν, εὑρήσει ἀγαθά.
8Wie verstand verwerft, heeft zichzelven lief; Wie inzicht bewaart, zal het goede ondervinden.
9μάρτυς ψευδὴς οὐκ ἀτιμώρητος ἔσται, ὃς δ᾿ ἂν ἐκκαύσῃ κακίαν, ἀπολεῖται ὑπ᾿ αὐτῆς.
9Een onbetrouwbaar getuige blijft niet ongestraft; Wie leugens verspreidt, zal omkomen.
10οὐ συμφέρει ἄφρονι τρυφή, καὶ ἐὰν οἰκέτης ἄρξηται μεθ᾿ ὕβρεως δυναστεύειν.
10Weelde staat een dwaas evenmin, Als een knecht het heersen over vorsten.
11ἐλεήμων ἀνὴρ μακροθυμεῖ, τὸ δὲ καύχημα αὐτοῦ ἐπέρχεται παρανόμοις.
11Wijsheid maakt den mens lankmoedig; Hij gaat er groot op, een misstap te vergeven.
12βασιλέως ἀπειλὴ ὁμοία βρυγμῷ λέοντος, ὥσπερ δὲ δρόσος ἐπὶ χόρτῳ, οὕτως τὸ ἱλαρὸν αὐτοῦ.
12Een toornig koning brult als een leeuw, Maar als dauw op het groen is zijn gunst.
13αἰσχύνη πατρὶ υἱὸς ἄφρων· οὐχ ἁγναὶ εὐχαὶ ἀπὸ μισθώματος ἑταίρας.
13Een dwaas kind is een ramp voor zijn vader, Het getwist van een vrouw een gestadig druppelend lek.
14οἶκον καὶ ὕπαρξιν μερίζουσι πατέρες παισί, παρὰ δὲ Κυρίου ἁρμόζεται γυνὴ ἀνδρί.
14Huis en have worden van vader geërfd, Maar een verstandige vrouw komt van Jahweh.
15δειλία κατέχει ἀνδρόγυνον, ψυχὴ δὲ ἀεργοῦ πεινάσει.
15Luiheid verwekt een diepe slaap, Een trage geest moet honger lijden.
16ὃς φυλάσσει ἐντολήν, τηρεῖ τὴν ἑαυτοῦ ψυχήν, ὁ δὲ καταφρονῶν τῶν ἑαυτοῦ ὁδῶν ἀπολεῖται.
16Wie de geboden in acht neemt, behoedt zichzelf; Wie niet past op zijn wandel, zal sterven.
17δανείζει Θεῷ ὁ ἐλεῶν πτωχόν, κατὰ δὲ τὸ δόμα αὐτοῦ ἀνταποδώσει αὐτῷ.
17Wie goed is voor een arme, leent aan Jahweh; Hij zal hem zijn weldaad vergelden.
18παίδευε υἱόν σου, οὕτως γὰρ ἔσται εὔελπις, εἰς δὲ ὕβριν μὴ ἐπαίρου τῇ ψυχῇ σου.
18Tuchtig uw kind, zo lang er nog hoop is; Maar laat u niet vervoeren tot toorn.
19κακόφρων ἀνὴρ πολλὰ ζημιωθήσεται· ἐὰν δὲ λοιμεύηται, καὶ τὴν ψυχὴν αὐτοῦ προσθήσει.
19Een driftig mens zal moeten boeten; Wilt ge hem helpen, ge maakt het nog erger.
20ἄκουε, υἱέ, παιδείαν πατρός σου, ἵνα σοφὸς γένῃ ἐπ᾿ ἐσχάτων σου.
20Luister naar raad, en neem vermaning aan, Opdat ge tenslotte wijs moogt zijn.
21πολλοὶ λογισμοὶ ἐν καρδίᾳ ἀνδρός, ἡ δὲ βουλὴ τοῦ Κυρίου εἰς τὸν αἰῶνα μένει.
21Vele plannen gaan er om in den mens, Maar het besluit van Jahweh, dàt komt tot stand.
22καρπὸς ἀνδρὶ ἐλεημοσύνη, κρείσσων δὲ πτωχὸς δίκαιος ἢ πλούσιος ψεύστης.
22Goedheid strekt den mens tot gewin, Beter arm te zijn dan wreed
23φόβος Κυρίου εἰς ζωὴν ἀνδρί, ὁ δὲ ἄφοβος αὐλισθήσεται ἐν τόποις, οὗ οὐκ ἐπισκοπεῖται γνῶσις.
23Het ontzag voor Jahweh leidt ten leven; Men rust dan tevreden, niet door rampen bezocht.
24ὁ ἐγκρύπτων εἰς τὸν κόλπον αὐτοῦ χεῖρας ἀδίκως, οὐδὲ τῷ στόματι οὐ μὴ προσαγάγῃ αὐτάς.
24Als een luiaard zijn hand in de schotel heeft gestoken, Brengt hij haar nog niet eens naar de mond.
25λοιμοῦ μαστιγουμένου, ἄφρων πανουργότερος γίνεται· ἐὰν δὲ ἐλέγχῃς ἄνδρα φρόνιμον, νοήσει αἴσθησιν.
25Slaat ge een spotter, dan wordt de onervarene wijs; Vermaant ge een verstandig mens, hij leert er nog uit.
26ὁ ἀτιμάζων πατέρα καὶ ἀπωθούμενος μητέρα αὐτοῦ καταισχυνθήσεται καὶ ἐπονείδιστος ἔσται.
26Wie zijn vader mishandelt, zijn moeder verjaagt, Is een kind, dat beschaamt en te schande maakt.
27υἱὸς ἀπολειπόμενος φυλάξαι παιδείαν πατρὸς μελετήσει ρήσεις κακάς.
27Mijn zoon, houdt ge op, naar vermaning te luisteren, Dan dwaalt ge af van verstandige taal.
28ὁ ἐγγυώμενος παῖδα ἄφρονα καθυβρίσει δικαίωμα, στόμα δὲ ἀσεβῶν καταπίεται κρίσεις.
28Een kwaadwillige getuige spot met het recht, De mond der bozen stort onrecht uit.
29ἑτοιμάζονται ἀκολάστοις μάστιγες, καὶ τιμωρίαι ὁμοίως ἄφροσιν.
29Voor de spotters liggen roeden gereed, En slagen voor de rug van de dwazen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.