Provérbios
Chapter 19
Bíblia Portuguesa Mundia…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Melhor é o pobre que anda na sua integridade do que aquele que é perverso nos seus lábios e é tolo.
1Beter een arme, die onberispelijk wandelt, Dan een rijke, die verkeerde wegen gaat.
2Não é bom ter zelo sem conhecimento, nem agir precipitadamente e errar o caminho.
2Zonder verstand deugt zelfs de ijver niet; Wie te haastig loopt, doet een misstap.
3A insensatez do homem subverte o seu caminho; e o seu coração se irrita contra o SENHOR.
3Door zijn dwaasheid komt de mens op het verkeerde pad, Maar hij zelf wijt het aan Jahweh!
4A riqueza multiplica os amigos, mas o pobre é separado do seu amigo.
4Rijkdom maakt vele vrienden, Een arme raakt zijn vrienden kwijt.
5A testemunha falsa não ficará impune. Aquele que profere mentiras não escapará.
5Een onbetrouwbaar getuige blijft niet ongestraft; Wie leugens verspreidt, zal niet ontkomen.
6Muitos buscam o favor do governante, e todo mundo é amigo de quem dá presentes.
6Velen dingen naar de gunst van een voorname; Wie geschenken geeft, heeft allen tot vriend.
7Todos os parentes do pobre o desprezam; quanto mais os seus amigos se afastam dele! Ele os persegue com súplicas, mas eles já se foram.
7Als een arme al door zijn broers wordt gehaat, Hoever zullen zijn vrienden zich dan van hem terugtrekken! Wie te veel spreekt, wordt een meester in de boosheid; Wie woorden najaagt, ontkomt niet.
8Quem adquire sabedoria ama a sua própria alma. Quem guarda o entendimento achará o bem.
8Wie verstand verwerft, heeft zichzelven lief; Wie inzicht bewaart, zal het goede ondervinden.
9A testemunha falsa não ficará impune. Aquele que profere mentiras perecerá.
9Een onbetrouwbaar getuige blijft niet ongestraft; Wie leugens verspreidt, zal omkomen.
10Uma vida de luxo não convém ao tolo, muito menos a um servo governar sobre os príncipes.
10Weelde staat een dwaas evenmin, Als een knecht het heersen over vorsten.
11A prudência do homem o faz lento para a ira. É sua glória relevar uma ofensa.
11Wijsheid maakt den mens lankmoedig; Hij gaat er groot op, een misstap te vergeven.
12A ira do rei é como o rugido de um leão, mas o seu favor é como o orvalho sobre a relva.
12Een toornig koning brult als een leeuw, Maar als dauw op het groen is zijn gunst.
13O filho tolo é a ruína de seu pai. As contendas da esposa são como uma goteira contínua.
13Een dwaas kind is een ramp voor zijn vader, Het getwist van een vrouw een gestadig druppelend lek.
14Casa e riquezas são herança dos pais, mas a esposa prudente vem do SENHOR.
14Huis en have worden van vader geërfd, Maar een verstandige vrouw komt van Jahweh.
15A preguiça faz cair em sono profundo. A alma ociosa padecerá fome.
15Luiheid verwekt een diepe slaap, Een trage geest moet honger lijden.
16Aquele que guarda o mandamento guarda a sua vida, mas aquele que despreza os seus caminhos morrerá.
16Wie de geboden in acht neemt, behoedt zichzelf; Wie niet past op zijn wandel, zal sterven.
17Quem se compadece do pobre empresta ao SENHOR; e ele o recompensará.
17Wie goed is voor een arme, leent aan Jahweh; Hij zal hem zijn weldaad vergelden.
18Discipline o seu filho enquanto há esperança; não seja cúmplice da sua morte.
18Tuchtig uw kind, zo lang er nog hoop is; Maar laat u niet vervoeren tot toorn.
19O homem de grande ira sofrerá o castigo, pois se você o livrar, terá de fazê-lo de novo.
19Een driftig mens zal moeten boeten; Wilt ge hem helpen, ge maakt het nog erger.
20Ouça os conselhos e aceite a instrução, para que você seja sábio no seu futuro.
20Luister naar raad, en neem vermaning aan, Opdat ge tenslotte wijs moogt zijn.
21Há muitos planos no coração do homem, mas o propósito do SENHOR prevalecerá.
21Vele plannen gaan er om in den mens, Maar het besluit van Jahweh, dàt komt tot stand.
22O que torna um homem desejável é a sua bondade. O pobre é melhor do que o mentiroso.
22Goedheid strekt den mens tot gewin, Beter arm te zijn dan wreed
23O temor do SENHOR conduz à vida, e à satisfação; aquele que o tem descansa e não será atingido pelo mal.
23Het ontzag voor Jahweh leidt ten leven; Men rust dan tevreden, niet door rampen bezocht.
24O preguiçoso esconde a mão no prato; e não se dá ao trabalho nem de levá-la à boca.
24Als een luiaard zijn hand in de schotel heeft gestoken, Brengt hij haar nog niet eens naar de mond.
25Açoite o zombador, e os simples aprenderão a prudência; repreenda a quem tem entendimento, e ele ganhará conhecimento.
25Slaat ge een spotter, dan wordt de onervarene wijs; Vermaant ge een verstandig mens, hij leert er nog uit.
26Aquele que rouba o seu pai e expulsa a sua mãe é um filho que causa vergonha e traz desonra.
26Wie zijn vader mishandelt, zijn moeder verjaagt, Is een kind, dat beschaamt en te schande maakt.
27Meu filho, se você parar de ouvir a instrução, você se desviará das palavras de conhecimento.
27Mijn zoon, houdt ge op, naar vermaning te luisteren, Dan dwaalt ge af van verstandige taal.
28A testemunha corrupta zomba da justiça, e a boca dos ímpios devora a iniquidade.
28Een kwaadwillige getuige spot met het recht, De mond der bozen stort onrecht uit.
29Os castigos estão preparados para os zombadores, e os açoites para as costas dos tolos.
29Voor de spotters liggen roeden gereed, En slagen voor de rug van de dwazen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.