Proverbes
Chapter 19
Louis Segond 1910
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Proverbes 19

Louis Segond 1910
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Mieux vaut le pauvre qui marche dans son intégrité, Que l’homme qui a des lèvres perverses et qui est un insensé.
1Beter een arme, die onberispelijk wandelt, Dan een rijke, die verkeerde wegen gaat.
2Le manque de science n’est bon pour personne, Et celui qui précipite ses pas tombe dans le péché.
2Zonder verstand deugt zelfs de ijver niet; Wie te haastig loopt, doet een misstap.
3La folie de l’homme pervertit sa voie, Et c’est contre l’Éternel que son cœur s’irrite.
3Door zijn dwaasheid komt de mens op het verkeerde pad, Maar hij zelf wijt het aan Jahweh!
4La richesse procure un grand nombre d’amis, Mais le pauvre est séparé de son ami.
4Rijkdom maakt vele vrienden, Een arme raakt zijn vrienden kwijt.
5Le faux témoin ne restera pas impuni, Et celui qui dit des mensonges n’échappera pas.
5Een onbetrouwbaar getuige blijft niet ongestraft; Wie leugens verspreidt, zal niet ontkomen.
6Beaucoup de gens flattent l’homme généreux, Et tous sont les amis de celui qui fait des présents.
6Velen dingen naar de gunst van een voorname; Wie geschenken geeft, heeft allen tot vriend.
7Tous les frères du pauvre le haïssent; Combien plus ses amis s’éloignent-ils de lui! Il leur adresse des paroles suppliantes, mais ils disparaissent.
7Als een arme al door zijn broers wordt gehaat, Hoever zullen zijn vrienden zich dan van hem terugtrekken! Wie te veel spreekt, wordt een meester in de boosheid; Wie woorden najaagt, ontkomt niet.
8Celui qui acquiert du sens aime son âme; Celui qui garde l’intelligence trouve le bonheur.
8Wie verstand verwerft, heeft zichzelven lief; Wie inzicht bewaart, zal het goede ondervinden.
9Le faux témoin ne restera pas impuni, Et celui qui dit des mensonges périra.
9Een onbetrouwbaar getuige blijft niet ongestraft; Wie leugens verspreidt, zal omkomen.
10Il ne sied pas à un insensé de vivre dans les délices; Combien moins à un esclave de dominer sur des princes!
10Weelde staat een dwaas evenmin, Als een knecht het heersen over vorsten.
11L’homme qui a de la sagesse est lent à la colère, Et il met sa gloire à oublier les offenses.
11Wijsheid maakt den mens lankmoedig; Hij gaat er groot op, een misstap te vergeven.
12La colère du roi est comme le rugissement d’un lion, Et sa faveur est comme la rosée sur l’herbe.
12Een toornig koning brult als een leeuw, Maar als dauw op het groen is zijn gunst.
13Un fils insensé est une calamité pour son père, Et les querelles d’une femme sont une gouttière sans fin.
13Een dwaas kind is een ramp voor zijn vader, Het getwist van een vrouw een gestadig druppelend lek.
14On peut hériter de ses pères une maison et des richesses, Mais une femme intelligente est un don de l’Éternel.
14Huis en have worden van vader geërfd, Maar een verstandige vrouw komt van Jahweh.
15La paresse fait tomber dans l’assoupissement, Et l’âme nonchalante éprouve la faim.
15Luiheid verwekt een diepe slaap, Een trage geest moet honger lijden.
16Celui qui garde ce qui est commandé garde son âme; Celui qui ne veille pas sur sa voie mourra.
16Wie de geboden in acht neemt, behoedt zichzelf; Wie niet past op zijn wandel, zal sterven.
17Celui qui a pitié du pauvre prête à l’Éternel, Qui lui rendra selon son œuvre.
17Wie goed is voor een arme, leent aan Jahweh; Hij zal hem zijn weldaad vergelden.
18Châtie ton fils, car il y a encore de l’espérance; Mais ne désire point le faire mourir.
18Tuchtig uw kind, zo lang er nog hoop is; Maar laat u niet vervoeren tot toorn.
19Celui que la colère emporte doit en subir la peine; Car si tu le libères, tu devras y revenir.
19Een driftig mens zal moeten boeten; Wilt ge hem helpen, ge maakt het nog erger.
20Écoute les conseils, et reçois l’instruction, Afin que tu sois sage dans la suite de ta vie.
20Luister naar raad, en neem vermaning aan, Opdat ge tenslotte wijs moogt zijn.
21Il y a dans le cœur de l’homme beaucoup de projets, Mais c’est le dessein de l’Éternel qui s’accomplit.
21Vele plannen gaan er om in den mens, Maar het besluit van Jahweh, dàt komt tot stand.
22Ce qui fait le charme d’un homme, c’est sa bonté; Et mieux vaut un pauvre qu’un menteur.
22Goedheid strekt den mens tot gewin, Beter arm te zijn dan wreed
23La crainte de l’Éternel mène à la vie, Et l’on passe la nuit rassasié, sans être visité par le malheur.
23Het ontzag voor Jahweh leidt ten leven; Men rust dan tevreden, niet door rampen bezocht.
24Le paresseux plonge sa main dans le plat, Et il ne la ramène pas à sa bouche.
24Als een luiaard zijn hand in de schotel heeft gestoken, Brengt hij haar nog niet eens naar de mond.
25Frappe le moqueur, et le sot deviendra sage; Reprends l’homme intelligent, et il comprendra la science.
25Slaat ge een spotter, dan wordt de onervarene wijs; Vermaant ge een verstandig mens, hij leert er nog uit.
26Celui qui ruine son père et qui met en fuite sa mère Est un fils qui fait honte et qui fait rougir.
26Wie zijn vader mishandelt, zijn moeder verjaagt, Is een kind, dat beschaamt en te schande maakt.
27Cesse, mon fils, d’écouter l’instruction, Si c’est pour t’éloigner des paroles de la science.
27Mijn zoon, houdt ge op, naar vermaning te luisteren, Dan dwaalt ge af van verstandige taal.
28Un témoin pervers se moque de la justice, Et la bouche des méchants dévore l’iniquité.
28Een kwaadwillige getuige spot met het recht, De mond der bozen stort onrecht uit.
29Les châtiments sont prêts pour les moqueurs, Et les coups pour le dos des insensés.
29Voor de spotters liggen roeden gereed, En slagen voor de rug van de dwazen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.