Proverbes 9
Louis Segond 1910Translation
Louis Segond 1910
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1La sagesse a bâti sa maison, Elle a taillé ses sept colonnes.
1De wijsheid heeft zich een huis gebouwd, Haar zeven zuilen opgericht,
2Elle a égorgé ses victimes, mêlé son vin, Et dressé sa table.
2Haar vee geslacht, haar wijn gemengd, Haar dis ook bereid.
3Elle a envoyé ses servantes, elle crie Sur le sommet des hauteurs de la ville:
3Nu laat ze haar dienstmaagden noden Op de hoogste punten der stad:
4Que celui qui est stupide entre ici! Elle dit à ceux qui sont dépourvus de sens:
4Wie onervaren is, kome hierheen, Wie onverstandig is, tot hem wil ik spreken.
5Venez, mangez de mon pain, Et buvez du vin que j’ai mêlé;
5Komt, eet van mijn spijzen, En drinkt van de wijn die ik mengde;
6Quittez la stupidité, et vous vivrez, Et marchez dans la voie de l’intelligence!
6Laat de onnozelheid varen, opdat gij moogt leven, Betreedt de rechte weg van het verstand!
7Celui qui reprend le moqueur s’attire le dédain, Et celui qui corrige le méchant reçoit un outrage.
7Wie een spotter vermaant, berokkent zich schande, En wie een booswicht bestraft, op hem komt een smet.
8Ne reprends pas le moqueur, de crainte qu’il ne te haïsse; Reprends le sage, et il t’aimera.
8Ge moet geen spotter bestraffen, hij zal u erom haten, Bestraf een wijze, hij zal er u dankbaar voor zijn.
9Donne au sage, et il deviendra plus sage; Instruis le juste, et il augmentera son savoir.
9Deel mee aan een wijze: hij wordt nog wijzer, Onderricht een rechtvaardige: hij zal zijn inzicht verdiepen.
10Le commencement de la sagesse, c’est la crainte de l’Éternel; Et la science des saints, c’est l’intelligence.
10Ontzag voor Jahweh is de grondslag der wijsheid, Den Heilige kennen is inzicht.
11C’est par moi que tes jours se multiplieront, Et que les années de ta vie augmenteront.
11Want door Jahweh worden uw dagen vermeerderd. Worden jaren van leven u toegevoegd.
12Si tu es sage, tu es sage pour toi; Si tu es moqueur, tu en porteras seul la peine.
12Zijt ge wijs, ge zijt wijs tot uw eigen voordeel; Zijt ge eigenwijs, gij alleen moet ervoor boeten!
13La folie est une femme bruyante, Stupide et ne sachant rien.
13De dwaasheid is een wispelturige vrouw, Een verleidster, die geen schaamte kent.
14Elle s’assied à l’entrée de sa maison, Sur un siège, dans les hauteurs de la ville,
14Ze zit aan de deur van haar huis, In een zetel op de hoogten der stad;
15Pour crier aux passants, Qui vont droit leur chemin:
15Zij nodigt de voorbijgangers uit, Hen die recht huns weegs willen gaan:
16Que celui qui est stupide entre ici! Elle dit à celui qui est dépourvu de sens:
16Wie onervaren is, kome hierheen, Wie onverstandig is, tot hem wil ik spreken!
17Les eaux dérobées sont douces, Et le pain du mystère est agréable!
17Gestolen water is zoet, Heimelijk gegeten brood smaakt lekker!
18Et il ne sait pas que là sont les morts, Et que ses invités sont dans les vallées du séjour des morts.
18Maar men vermoedt niet, dat de schimmen daar wonen, Dat haar gasten diep in het dodenrijk komen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.