Proverbs 9
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)Translation
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Wisdom hath built herself a house, she hath hewn her out seven pillars.
1De wijsheid heeft zich een huis gebouwd, Haar zeven zuilen opgericht,
2She hath slain her victims, mingled her wine, and set forth her table.
2Haar vee geslacht, haar wijn gemengd, Haar dis ook bereid.
3She hath sent her maids to invite to the tower, and to the walls of the city:
3Nu laat ze haar dienstmaagden noden Op de hoogste punten der stad:
4Whosoever is a little one, let him come to me. And to the unwise she said:
4Wie onervaren is, kome hierheen, Wie onverstandig is, tot hem wil ik spreken.
5Come, eat my bread, and drink the wine which I have mingled for you.
5Komt, eet van mijn spijzen, En drinkt van de wijn die ik mengde;
6Forsake childishness, and live, and walk by the ways of prudence.
6Laat de onnozelheid varen, opdat gij moogt leven, Betreedt de rechte weg van het verstand!
7He that teacheth a scorner, doth an injury to himself: and he that rebuketh a wicked man, getteth himself a blot.
7Wie een spotter vermaant, berokkent zich schande, En wie een booswicht bestraft, op hem komt een smet.
8Rebuke not a scorner lest he hate thee. Rebuke a wise man, and he will love thee.
8Ge moet geen spotter bestraffen, hij zal u erom haten, Bestraf een wijze, hij zal er u dankbaar voor zijn.
9Give an occasion to a wise man, and wisdom shall be added to him. Teach a just man, and he shall make haste to receive it.
9Deel mee aan een wijze: hij wordt nog wijzer, Onderricht een rechtvaardige: hij zal zijn inzicht verdiepen.
10The fear of the Lord is the beginning of wisdom: and the knowledge of the holy is prudence.
10Ontzag voor Jahweh is de grondslag der wijsheid, Den Heilige kennen is inzicht.
11For by me shall thy days be multiplied, and years of life shall be added to thee.
11Want door Jahweh worden uw dagen vermeerderd. Worden jaren van leven u toegevoegd.
12If thou be wise, thou shalt be so to thyself: and if a scorner, thou alone shalt bear the evil.
12Zijt ge wijs, ge zijt wijs tot uw eigen voordeel; Zijt ge eigenwijs, gij alleen moet ervoor boeten!
13A foolish woman and clamorous, and full of allurements, and knowing nothing at all,
13De dwaasheid is een wispelturige vrouw, Een verleidster, die geen schaamte kent.
14Sat at the door of her house, upon a seat, in a high place of the city,
14Ze zit aan de deur van haar huis, In een zetel op de hoogten der stad;
15To call them that pass by the way, and go on their journey:
15Zij nodigt de voorbijgangers uit, Hen die recht huns weegs willen gaan:
16He that is a little one, let him turn to me. And to the fool she said:
16Wie onervaren is, kome hierheen, Wie onverstandig is, tot hem wil ik spreken!
17Stolen waters are sweeter, and hid den bread is more pleasant.
17Gestolen water is zoet, Heimelijk gegeten brood smaakt lekker!
18And he did not know that giants are there, and that her guests are in the depths of hell.
18Maar men vermoedt niet, dat de schimmen daar wonen, Dat haar gasten diep in het dodenrijk komen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.