Proverbes
Chapter 21
Louis Segond 1910
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Proverbes 21

Louis Segond 1910
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Le cœur du roi est un courant d’eau dans la main de l’Éternel; Il l’incline partout où il veut.
1In Jahweh’s hand is het hart van een koning als een beekje; Hij leidt het, waarheen Hij wil.
2Toutes les voies de l’homme sont droites à ses yeux; Mais celui qui pèse les cœurs, c’est l’Éternel.
2Al denkt de mens, dat al zijn wegen recht zijn, Het is Jahweh, die de harten toetst.
3La pratique de la justice et de l’équité, Voilà ce que l’Éternel préfère aux sacrifices.
3Rechtvaardigheid beoefenen en billijkheid, Is Jahweh meer waard dan offers.
4Des regards hautains et un cœur qui s’enfle, Cette lampe des méchants, ce n’est que péché.
4Een hooghartige blik, een opgeblazen hart, De aanplant der bozen is zonde
5Les projets de l’homme diligent ne mènent qu’à l’abondance, Mais celui qui agit avec précipitation n’arrive qu’à la disette.
5De plannen van een ijverig mens brengen louter voordeel, Maar wie zich overhaast, krijgt enkel gebrek.
6Des trésors acquis par une langue mensongère Sont une vanité fugitive et l’avant-coureur de la mort.
6Wie met leugens schatten wil verwerven, Jaagt ijdelheid na en de strikken des doods.
7La violence des méchants les emporte, Parce qu’ils refusent de faire ce qui est juste.
7Bozen worden door hun gewelddaden meegesleept; Want zij weigeren, recht te doen.
8Le coupable suit des voies détournées, Mais l’innocent agit avec droiture.
8Kronkelig is de weg van een bedrieger; Wie eerlijk is, handelt oprecht.
9Mieux vaut habiter à l’angle d’un toit, Que de partager la demeure d’une femme querelleuse.
9Beter te wonen op de punt van het dak, Dan met een snibbige vrouw in de echtelijke woning.
10L’âme du méchant désire le mal; Son ami ne trouve pas grâce à ses yeux.
10Een slecht karakter haakt naar kwaad; Zelfs zijn naaste vindt geen genade in zijn ogen.
11Quand on châtie le moqueur, le sot devient sage; Et quand on instruit le sage, il accueille la science.
11Straft ge een spotter, dan wordt de onervarene wijs; Leest men een wijze de les, hij leert er nog uit.
12Le juste considère la maison du méchant; L’Éternel précipite les méchants dans le malheur.
12De Rechtvaardige let op het huis van den boze, En stort de boosdoeners in het verderf.
13Celui qui ferme son oreille au cri du pauvre Criera lui-même et n’aura point de réponse.
13Wie zich doof houdt voor de smeekbede van een arme, Zal ook zelf roepen en geen antwoord krijgen.
14Un don fait en secret apaise la colère, Et un présent fait en cachette calme une fureur violente.
14Toorn wordt door een stille gift ontwapend, Hevige gramschap door een geschenk in de buidel.
15C’est une joie pour le juste de pratiquer la justice, Mais la ruine est pour ceux qui font le mal.
15Dat er recht wordt gedaan, is voor den rechtvaardige een vreugde, Voor de boosdoeners een ramp.
16L’homme qui s’écarte du chemin de la sagesse Reposera dans l’assemblée des morts.
16De mens, die afdwaalt van het pad der wijsheid, Mag in de kring der schimmen uitrusten.
17Celui qui aime la joie reste dans l’indigence; Celui qui aime le vin et l’huile ne s’enrichit pas.
17Wie van feestvieren houdt, vervalt tot gebrek; Wie veel wijn en olie verbruikt, wordt niet rijk.
18Le méchant sert de rançon pour le juste, Et le perfide pour les hommes droits.
18De boze is een losprijs voor den rechtvaardige, Zondaars komen voor de deugdzamen in de plaats.
19Mieux vaut habiter dans une terre déserte, Qu’avec une femme querelleuse et irritable.
19Beter in een woestijn te wonen, Dan bij een snibbige en humeurige vrouw.
20De précieux trésors et de l’huile sont dans la demeure du sage; Mais l’homme insensé les engloutit.
20In de woning van een wijze blijven kostbare schatten, Maar de domoor jaagt ze erdoor.
21Celui qui poursuit la justice et la bonté Trouve la vie, la justice et la gloire.
21Wie naar rechtvaardigheid en goedheid streeft, Zal leven vinden en aanzien.
22Le sage monte dans la ville des héros, Et il abat la force qui lui donnait de l’assurance.
22De wijze beklimt een stad van helden, En werpt het bolwerk neer, waarop zij vertrouwen.
23Celui qui veille sur sa bouche et sur sa langue Préserve son âme des angoisses.
23Wie let op zijn mond en zijn tong, Bespaart zich moeilijkheden.
24L’orgueilleux, le hautain, s’appelle un moqueur; Il agit avec la fureur de l’arrogance.
24“Spotter” noemt men een overmoedig, vermetel mens, Een die handelt in mateloze trots.
25Les désirs du paresseux le tuent, Parce que ses mains refusent de travailler;
25Een luiaard komt nog om door zijn ondeugd, Want zijn handen weigeren te werken.
26Tout le jour il éprouve des désirs; Mais le juste donne sans parcimonie.
26Heel de dag zit de zondaar te hunkeren, Maar de rechtvaardige deelt rijkelijk uit.
27Le sacrifice des méchants est quelque chose d’abominable; Combien plus quand ils l’offrent avec des pensées criminelles!
27Het offer der bozen is iets afschuwelijks; Hoeveel te meer, als hij het brengt voor een wandaad.
28Le témoin menteur périra, Mais l’homme qui écoute parlera toujours.
28Een leugenachtig getuige gaat te gronde; Iemand die luistert, mag altijd spreken.
29Le méchant prend un air effronté, Mais l’homme droit affermit sa voie.
29Wel trekt een boosdoener een brutaal gezicht, Maar een rechtvaardige doorziet zijn gedrag.
30Il n’y a ni sagesse, ni intelligence, Ni conseil, en face de l’Éternel.
30Er is geen wijsheid, geen beraad, Geen verstand tegenover Jahweh.
31Le cheval est équipé pour le jour de la bataille, Mais la délivrance appartient à l’Éternel.
31Wel worden paarden getuigd voor de dag van de strijd, Maar de zege hangt van Jahweh af.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.