Salmi 22
Diodati Bibbia 1885Translation
Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1DIO mio, Dio mio, perchè mi hai lasciato? Perchè stai lontano dalla mia salute, e dalle parole del mio ruggire?
1Voor muziekbegeleiding; wijze: De hinde van de dageraad. Een psalm van David. Mijn God, mijn God, zie op mij neer; Waarom hebt Gij mij verlaten? Waarom houdt Gij U ver van mijn hulp, Ver van mijn jammerklachten, mijn God?
2O Dio mio, io grido di giorno, e tu non rispondi; Di notte ancora, e non ho posa alcuna.
2Ik roep overdag, Gij antwoordt niet; Des nachts, maar ik vind geen rust.
3E pur tu sei il Santo, Il Permanente, le lodi d'Israele.
3Toch troont Gij in het heiligdom, Gij, Israëls hoop!
4I nostri padri si son confidati in te; Si son confidati in te , e tu li hai liberati.
4Op U hebben onze vaderen vertrouwd, Op U zich verlaten, Gij hebt ze verlost;
5Gridarono a te, e furon liberati; In te si confidarono, e non furon confusi.
5Tot U geroepen, ze werden gered, Op U gerekend, ze zijn niet beschaamd.
6Ma io sono un verme, e non un uomo; Il vituperio degli uomini, e lo sprezzato fra il popolo.
6Doch ik ben maar een worm en geen mens, Door de wereld bespot, veracht door het volk;
7Chiunque mi vede, si beffa di me, Mi stende il labbro, e scuote il capo;
7Al die mij zien, lachen mij uit, Grijnzen, en schudden meewarig het hoofd:
8Dicendo: Egli si rimette nel Signore; liberilo dunque; Riscuotalo, poichè egli lo gradisce.
8“Hij heeft op Jahweh vertrouwd. Laat Die hem nu helpen, En hem verlossen, wanneer Hij hem liefheeft!”
9Certo, tu sei quel che mi hai tratto fuor del seno; Tu mi hai affidato da che io era alle mammelle di mia madre.
9Ja, Gij zijt het, die mij uit de schoot hebt genomen, Die mij veilig deedt rusten aan de borst mijner moeder;
10Io fui gettato sopra te dalla matrice; Tu sei il mio Dio fin dal seno di mia madre.
10Bij mijn geboorte werd ik op uw knieën gelegd, Gij zijt mijn God van de moederschoot af.
11Non allontanarti da me; perciocchè l'angoscia è vicina, E non vi è alcuno che mi aiuti.
11Blijf dus niet verre van mij, Want de nood is nabij, en er is niemand die helpt!
12Grandi tori mi hanno circondato; Possenti tori di Basan mi hanno intorniato;
12Bonkige stieren staan om mij heen, Buffels van Basjan omsingelen mij;
13Hanno aperta la lor gola contro a me, Come un leone rapace e ruggente.
13Ze sperren hun muil naar mij open Als verscheurende, brullende leeuwen.
14Io mi scolo come acqua, E tutte le mie ossa si scommettono; Il mio cuore è come cera, E si strugge nel mezzo delle mie interiora.
14Als water ben ik uitgegoten, Al mijn beenderen zijn ontwricht; Mijn hart is als was, Smelt weg in mijn borst.
15Il mio vigore è asciutto come un testo, E la mia lingua è attaccata alla mia gola; Tu mi hai posto nella polvere della morte.
15Mijn keel is droog als een scherf, Mijn tong kleeft aan mijn gehemelte vast; En in het stof van de dood Strekt Gij mij neer.
16Perciocchè cani mi hanno circondato; Uno stuolo di maligni mi ha intorniato; Essi mi hanno forate le mani ed i piedi.
16Dan komen honden om mij heen, Een bende boosdoeners houdt mij omlegerd; Ze doorboren mijn handen en voeten,
17Io posso contar tutte le mie ossa; Essi mi riguardano, e mi considerano.
17Al mijn beenderen kan ik tellen. Ze werpen begerige blikken, En gluren mij aan;
18Si spartiscono fra loro i miei vestimenti, E tranno la sorte sopra la mia vesta.
18Verdelen mijn kleren onder elkander, En loten om mijn gewaad.
19Tu dunque, Signore, non allontanarti; Tu che sei la mia forza, affrettati a soccorrermi.
19O Jahweh, blijf toch niet in de verte; Mijn Sterkte, snel mij te hulp!
20Riscuoti l'anima mia dalla spada, L'unica mia dalla branca del cane.
20Bescherm mijn leven tegen het zwaard, Het enige, dat mij nog rest, tegen de honden;
21Salvami dalla gola del leone, Ed esaudiscimi, liberandomi dalle corna de' liocorni.
21Red mij uit de muil van den leeuw, Mij arme, van de hoornen der buffels.
22Io racconterò il tuo Nome a' miei fratelli; Io ti loderò in mezzo della raunanza.
22Dan zal ik uw Naam aan mijn broeders verkonden, In de kring der gemeente U prijzen:
23Voi che temete il Signore, lodatelo; Glorificatelo voi , tutta la progenie di Giacobbe; E voi tutta la generazione d'Israele, abbiate timor di lui.
23“Looft Jahweh, gij die Hem vreest, Heel Jakobs geslacht; Brengt Hem ere en siddert voor Hem, Alle kinderen van Israël!”
24Perciocchè egli non ha sprezzata, nè disdegnata l'afflizione dell'afflitto; E non ha nascosta la sua faccia da lui; E quando ha gridato a lui, l'ha esaudito.
24“Want nimmer heeft Hij versmaad of veracht De ellende van den verdrukte; Zijn aanschijn voor hem niet verborgen, Maar hem verhoord, als hij Hem riep!”
25Da te io ho l'argomento della mia lode in grande raunanza; Io adempirò i miei voti in presenza di quelli che ti temono.
25Dit zal mijn danklied voor U zijn In de grote gemeente! Dan zal ik ook mijn belofte vervullen Aan hen, die Hem vrezen:
26I mansueti mangeranno, e saranno saziati; Que' che cercano il Signore lo loderanno; Il vostro cuore viverà in perpetuo.
26De armen zullen eten, En worden verzadigd; Die Jahweh zoeken, zullen Hem loven. En hun hart zal eeuwig worden verkwikt.
27Tutte le estremità della terra ne avranno memoria, E si convertiranno al Signore; E tutte le nazioni delle genti adoreranno nel suo cospetto.
27Alle grenzen der aarde zullen het gedenken, En zich tot Jahweh bekeren, Alle stammen der heidenen Hem aanbidden!
28Perciocchè al Signore appartiene il regno; Ed egli è quel che signoreggia sopra le genti.
28Want Jahweh komt het koningschap toe, Hij is de Heerser der volken;
29Tutti i grassi della terra mangeranno ed adoreranno; Parimente tutti quelli che scendono nella polvere, E che non possono mantenersi in vita, s'inchineranno davanti a lui.
29Hem alleen moeten huldigen alle machten der aarde! Dan buigen zich ook voor Hem neer, die in het stof zijn gezonken, En geen leven meer hebben.
30La lor posterità gli servirà; Ella sarà annoverata per generazione al Signore.
30Dan zal ook mijn zaad Hem dienen, En van den Heer gaan vertellen aan het volgend geslacht,
31Essi verranno, ed annunzieranno la sua giustizia; Ed alla gente che ha da nascere ciò ch'egli avrà operato.
31Zijn goedheid verhalen aan het volk, dat nog geboren moet worden: Dat het Jahweh was, die het volbracht!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.