Salmi 49
Diodati Bibbia 1885Translation
Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1UDITE questo, popoli tutti; Porgete gli orecchi, voi tutti gli abitanti del mondo;
1Met sopraanstemmen; Voor muziekbegeleiding. Van de zonen van Kore; een psalm. Volkeren, hoort dit allen aan, Luistert allen, bewoners der aarde;
2E plebei, e nobili, E ricchi, e bisognosi tutti insieme.
2Kinderen uit het volk en edelgeborenen, Rijken en armen, allen te zamen!
3La mia bocca proferirà cose di gran sapienza; E il ragionamento del mio cuore sarà di cose di grande intendimento.
3Mijn mond gaat diepe wijsheid verkonden, Mijn hart verstandige dingen bepeinzen;
4Io inchinerò il mio orecchio alle sentenze; Io spiegherò sopra la cetera i miei detti notevoli.
4Ik spits mijn oren voor een moeilijk probleem, En bij snarenspel los ik mijn raadsel op. De mens in weelde, die het niet wil begrijpen, Lijkt op vee, dat geslacht wordt.
5Perchè temerò ne' gioni dell'avversità Quando l'iniquità che mi è alle calcagna m'intornierà?
5Waarom zou ik de dagen der bozen benijden, En de levenskracht van mijn belagers, die mij omringen;
6Ve ne son molti che si confidano ne' lor beni, E si gloriano della grandezza delle lor ricchezze.
6Van allen, die op hun schatten vertrouwen, En op hun grote rijkdommen pochen?
7Niuno però può riscuotere il suo fratello, Nè dare a Dio il prezzo del suo riscatto.
7Ach, er is niemand, die zich vrij kan kopen, Of aan God zijn losgeld betalen:
8E il riscatto della lor propria anima non può trovarsi, E il modo ne mancherà in perpetuo;
8Te hoog is de prijs van zijn leven, Ontoereikend voor eeuwig. De mens in weelde, die het niet wil begrijpen, Lijkt op vee, dat geslacht wordt.
9Per fare che continuino a vivere in perpetuo, E che non veggano la fossa;
9Of zou hij eeuwig blijven leven, En zijn graf niet aanschouwen?
10Conciossiachè veggano che i savi muoiono, E che parimente i pazzi, e gli stolti periscono, E lasciano i lor beni ad altri.
10Neen, men ziet de wijzen sterven, Den dwaas met den domoor vergaan;
11Il loro intimo pensiero è che le lor case dimoreranno in eterno, E che le loro abitazioni dureranno per ogni età; Impongono i nomi loro a delle terre.
11Hun graf is voor altijd hun woning, Hun verblijf van geslacht tot geslacht; En al hebben ze hele landen hun eigen genoemd, Toch laten ze hun schatten voor anderen achter.
12E pur l'uomo che è in onore non vi dimora sempre ; Anzi è renduto simile alle bestie che periscono.
12De mens in weelde, die het niet wil begrijpen, Lijkt op vee, dat geslacht wordt.
13Questa lor via è loro una pazzia; E pure i lor discendenti si compiacciono a seguire i lor precetti. (Sela.)
13Dit is het lot van wie daarop bouwen, Het einde van die daarover snoeven:
14Saranno posti sotterra, come pecore; La morte li pasturerà; E gli uomini diritti signoreggeranno sopra loro in quella mattina; E il sepolcro consumerà la lor bella apparenza, Che sarà portata via dal suo abitacolo.
14Als schapen worden ze het graf ingejaagd, Het is de dood, die ze weidt; Regelrecht zinken ze neer in de kuil, En hun gestalte gaat over tot de ontbinding van de dood.
15Ma Iddio riscuoterà l'anima mia dal sepolcro;
15Neen, God alleen kan de prijs voor mijn leven betalen. Hij alleen mij uit de macht van het dodenrijk redden! De mens in weelde, die het niet wil begrijpen, Lijkt op vee, dat geslacht wordt.
16Non temere, quando alcuno sarà arricchito, Quando la gloria della sua casa sarà accresciuta.
16Dus wees niet afgunstig, als iemand rijkdommen krijgt, En de schat van zijn huis zich vermeerdert;
17Perciocchè, quando egli morrà non torrà seco nulla; La sua gloria non gli scenderà dietro.
17Want niets van dit alles neemt hij mee bij zijn dood, En de schat volgt hem niet in het graf.
18Benchè egli abbia benedetta l'anima sua in vita sua; E tali ti lodino, se tu ti dài piacere, e buon tempo;
18Al prijst hij zich bij zijn leven gelukkig, En roemt zich, omdat het hem goed gaat:
19Quella verrà là ove è la generazion de' suoi padri; Giammai in eterno non vedranno la luce.
19Toch komt hij in het verblijf van zijn vaderen, En nooit meer aanschouwt hij het licht.
20L'uomo che è in istato onorevole, e non ha intelletto, È simile alle bestie che periscono.
20De mens in weelde, die het niet wil begrijpen, Lijkt op vee, dat geslacht wordt.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.