Salmi
Chapter 105
Diodati Bibbia 1885
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Salmi 105

Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1CELEBRATE il Signore; predicate il suo Nome; Fate assapere i suoi fatti fra i popoli.
1Halleluja! Looft Jahweh, verkondigt zijn Naam, Maakt onder de volken zijn daden bekend;
2Cantategli, salmeggiategli, Ragionate di tutte le sue maraviglie.
2Zingt en juicht Hem ter ere, En verhaalt al zijn wonderen!
3Gloriatevi nel Nome della sua santità; Rallegrisi il cuor di coloro che cercano il Signore.
3Roemt in zijn heilige Naam: Vreugd moet er zijn in de harten der Jahweh-vereerders!
4Cercate il Signore, e la sua forza; Cercate del continuo la sua faccia.
4Wendt u tot Jahweh en zijn macht, Houdt niet op, zijn aanschijn te zoeken;
5Ricordate le sue maraviglie ch'egli ha fatte; I suoi miracoli e i giudicii della sua bocca;
5Denkt aan de wonderen, die Hij deed, Aan zijn tekenen, aan zijn gerichten:
6O voi , progenie d'Abrahamo, suo servitore; Figliuoli di Giacobbe, suoi eletti.
6Gij kinderen van Abraham, zijn dienaar; Gij zonen van Jakob, zijn vriend!
7Egli è il Signore Iddio nostro; I suoi giudicii son per tutta la terra.
7Hij, Jahweh, is onze God; Voor heel de aarde gelden zijn wetten!
8Egli si ricorda in eterno del suo patto, E in mille generazioni della parola ch 'egli ha comandata;
8Hij blijft zijn verbond voor eeuwig indachtig, En zijn belofte in duizend geslachten:
9Del suo patto , ch'egli fece con Abrahamo; E del suo giuramento, ch'egli fece ad Isacco;
9Het verbond, met Abraham gesloten, De belofte, aan Isaäk gezworen.
10Il quale egli confermò a Giacobbe per istatuto, E ad Israele per patto eterno;
10En Hij heeft die belofte aan Jakob bekrachtigd, Aan Israël het eeuwig verbond:
11Dicendo: Io ti darò il paese di Canaan, Per sorte della vostra eredità.
11Hij zeide: “Aan u zal Ik geven Het land van Kanaän als uw erfdeel.”
12Quantunque fosser ben poca gente, E forestieri in esso.
12Toch waren ze daar maar gering in getal, Nog zonder aanzien en vreemd.
13E mentre essi andavano da una gente ad un' altra , Da un regno ad un altro popolo,
13En toen ze nog zwierven van volk tot volk, Van het ene rijk naar het andere,
14Egli non permise che alcuno li oppressasse; Anzi gastigò eziandio dei re per amor loro,
14Duldde Hij niet, dat iemand ze kwelde, Maar tuchtigde koningen om hunnentwil:
15E disse : Non toccate i miei unti, E non fate alcun male a' miei profeti.
15“Raakt mijn gezalfden niet aan, En doet mijn profeten geen leed!”
16Poi egli chiamò la fame sopra la terra; E ruppe tutto il sostegno del pane.
16En toen Hij honger in het land had ontboden, Alle broodstokken stuk had geslagen,
17Egli aveva mandato dinanzi a loro un uomo, Cioè Giuseppe, che fu venduto per servo;
17Zond Hij een man voor hen uit, Werd Josef verkocht als een slaaf;
18I cui piedi furono serrati ne' ceppi; La cui persona fu messa ne' ferri.
18Men sloeg zijn voeten in boeien, In ijzeren ketens werd hij gekluisterd.
19La parola del Signore lo tenne al cimento, Fino al tempo che venne ciò ch'egli aveva detto.
19Maar toen eindelijk zijn voorzegging vervuld was, En Jahweh’s uitspraak hem in het gelijk had gesteld,
20Allora il re mandò a farlo sciorre; Il dominator di popoli mandò a largheggiarlo.
20Beval de koning, hem te bevrijden, Liet de heerser der volken hem los;
21Egli lo costituì padrone sopra la sua casa, E rettore sopra tutto il suo stato;
21Hij stelde hem aan tot heer van zijn huis, Tot bestuurder van heel zijn bezit.
22Per tenere a freno i suoi principi a suo senno; E per dare ammaestramento a' suoi anziani.
22En terwijl hij diens vorsten door zijn geest onderrichtte, En wijsheid leerde aan zijn oudsten,
23Poi Israele entrò in Egitto; E Giacobbe dimorò come forestiere nel paese di Cam.
23Trok Israël Egypte binnen, Werd Jakob gast in het land van Cham.
24E Iddio fece grandemente moltiplicare il suo popolo; E lo rendè più possente che i suoi nemici.
24Daar liet Hij zijn volk heel vruchtbaar worden, Veel talrijker dan zijn verdrukkers.
25Egli rivolse il cuor loro a odiare il suo popolo, A macchinar frode contro a' suoi servitori.
25Maar toen hun hart verstarde, en zij zijn volk gingen haten, En trouweloos zijn dienaren kwelden,
26Egli mandò Mosè, suo servitore; Ed Aaronne, il quale egli aveva eletto.
26Zond Hij Moses, zijn dienstknecht, Aäron, dien Hij zelf had gekozen;
27Essi eseguirono fra loro i miracoli ch'egli aveva loro detti, E i suoi prodigi nella terra di Cam.
27En zij verrichtten zijn tekenen onder hen, En wonderen in het land van Cham.
28Egli mandò le tenebre, e fece oscurar l'aria ; Ed essi non furono ribelli alle sue parole.
28Hij zond duisternis af, en maakte het donker; Maar men achtte niet op zijn bevel.
29Egli cangiò le acque loro in sangue, E fece morire il lor pesce.
29Hij veranderde hun wateren in bloed, En doodde hun vissen.
30La terra loro produsse rane, Ch'entrarono fin nelle camere de' loro re.
30Hun land krioelde van kikkers, Tot in de zalen zelfs van hun koning.
31Alla sua parola venne una mischia d'insetti, E pidocchi in tutte le lor contrade.
31Hij sprak: Daar kwamen de muggen, Muskieten over heel hun gebied.
32Egli mutò le lor pioggie in gragnuola, E in fuoco divampante nel lor paese;
32Hij gaf hun hagel voor regen, En het vuur laaide op in hun land.
33E percosse le lor vigne, e i lor fichi; E fracassò gli alberi della lor contrada.
33Hij sloeg hun wijnstok en vijg, En knakte de bomen op hun grond.
34Alla sua parola vennero locuste, E bruchi senza numero;
34Hij sprak: Daar kwamen de sprinkhanen aan, En ontelbare slokkers;
35Che rosero tutta l'erba nel lor paese, E mangiarono il frutto della lor terra.
35Ze verslonden al het gewas op het veld, En schrokten de vruchten weg van hun akker.
36Poi egli percosse ogni primogenito nel lor paese, Le primizie d'ogni lor forza.
36Hij sloeg alle eerstgeborenen in hun land, Al de eersten van hun mannenkracht.
37E condusse fuori Israele con oro e con argento; E non vi fu alcuno, fra le sue tribù, che fosse fiacco.
37Toen voerde Hij hen uit met zilver en goud, En geen van hun stammen bleef struikelend achter.
38Gli Egizi si rallegrarono della lor partita; Perciocchè lo spavento di essi era caduto sopra loro.
38Egypte was blij, dat ze gingen; Want de schrik voor hen had ze bevangen.
39Egli distese la nuvola, per coverta; Ed accese un fuoco, per alluminar li di notte.
39En Hij spreidde een wolk uit tot dek, Een vuur, om de nacht te verlichten.
40Alla lor richiesta egli addusse delle quaglie, E li saziò del pane del cielo.
40Zij baden: Hij liet de kwakkels komen, En verzadigde hen met brood uit de hemel;
41Egli aperse la roccia, e ne colarono acque; Rivi corsero per i luoghi aridi.
41Hij spleet de rotsen: daar borrelden de wateren, En vloeiden door de woestijn als een stroom:
42Perciocchè egli si ricordò della parola della sua santità, Detta ad Abrahamo, suo servitore;
42Want Hij was zijn heilige belofte indachtig, Aan Abraham, zijn dienaar, gedaan!
43E trasse fuori il suo popolo con allegrezza, E i suoi eletti con giubilo;
43Zo leidde Hij zijn volk met gejubel, Zijn uitverkorenen onder gejuich.
44E diede loro i paesi delle genti; Ed essi possedettero le fatiche de' popoli;
44Hij schonk hun de landen der heidenen, En ze erfden het vermogen der volken:
45Acciocchè osservassero i suoi statuti, E guardassero le sue leggi. Alleluia.
45Opdat ze zijn geboden zouden volbrengen, En zijn wetten onderhouden!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.