Psalmen 105
Lutherbibel 1912Translation
Lutherbibel 1912
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Danket dem HERRN und predigt seinen Namen; verkündigt sein Tun unter den Völkern!
1Halleluja! Looft Jahweh, verkondigt zijn Naam, Maakt onder de volken zijn daden bekend;
2Singet von ihm und lobet ihn; redet von allen seinen Wundern!
2Zingt en juicht Hem ter ere, En verhaalt al zijn wonderen!
3Rühmet seinen heiligen Namen; es freue sich das Herz derer, die den HERRN suchen!
3Roemt in zijn heilige Naam: Vreugd moet er zijn in de harten der Jahweh-vereerders!
4Fraget nach dem HERRN und nach seiner Macht, suchet sein Antlitz allewege!
4Wendt u tot Jahweh en zijn macht, Houdt niet op, zijn aanschijn te zoeken;
5Gedenket seiner Wunderwerke, die er getan hat, seiner Wunder und der Gerichte seines Mundes,
5Denkt aan de wonderen, die Hij deed, Aan zijn tekenen, aan zijn gerichten:
6ihr, der Same Abrahams, seines Knechtes, ihr Kinder Jakobs, seine Auserwählten!
6Gij kinderen van Abraham, zijn dienaar; Gij zonen van Jakob, zijn vriend!
7Er ist der HERR, unser Gott; er richtet in aller Welt.
7Hij, Jahweh, is onze God; Voor heel de aarde gelden zijn wetten!
8Er gedenkt ewiglich an seinen Bund, des Wortes, das er verheißen hat auf tausend Geschlechter,
8Hij blijft zijn verbond voor eeuwig indachtig, En zijn belofte in duizend geslachten:
9den er gemacht hat mit Abraham, und des Eides mit Isaak;
9Het verbond, met Abraham gesloten, De belofte, aan Isaäk gezworen.
10und stellte es Jakob zu einem Rechte und Israel zum ewigen Bunde
10En Hij heeft die belofte aan Jakob bekrachtigd, Aan Israël het eeuwig verbond:
11und sprach: “Dir will ich das Land Kanaan geben, das Los eures Erbes,”
11Hij zeide: “Aan u zal Ik geven Het land van Kanaän als uw erfdeel.”
12da sie wenig und gering waren und Fremdlinge darin.
12Toch waren ze daar maar gering in getal, Nog zonder aanzien en vreemd.
13Und sie zogen von Volk zu Volk, von einem Königreich zum andern Volk.
13En toen ze nog zwierven van volk tot volk, Van het ene rijk naar het andere,
14Er ließ keinen Menschen ihnen Schaden tun und strafte Könige um ihretwillen.
14Duldde Hij niet, dat iemand ze kwelde, Maar tuchtigde koningen om hunnentwil:
15“Tastet meine Gesalbten nicht an und tut meinen Propheten kein Leid!”
15“Raakt mijn gezalfden niet aan, En doet mijn profeten geen leed!”
16Und er ließ Teuerung ins Land kommen und entzog allen Vorrat des Brots.
16En toen Hij honger in het land had ontboden, Alle broodstokken stuk had geslagen,
17Er sandte einen Mann vor ihnen hin; Joseph ward zum Knecht verkauft.
17Zond Hij een man voor hen uit, Werd Josef verkocht als een slaaf;
18Sie zwangen seine Füße in den Stock, sein Leib mußte in Eisen liegen,
18Men sloeg zijn voeten in boeien, In ijzeren ketens werd hij gekluisterd.
19bis daß sein Wort kam und die Rede des HERRN ihn durchläuterte.
19Maar toen eindelijk zijn voorzegging vervuld was, En Jahweh’s uitspraak hem in het gelijk had gesteld,
20Da sandte der König hin und ließ ihn losgeben; der HERR über Völker hieß ihn herauslassen.
20Beval de koning, hem te bevrijden, Liet de heerser der volken hem los;
21Er setzte ihn zum Herrn über sein Haus, zum Herrscher über alle seine Güter,
21Hij stelde hem aan tot heer van zijn huis, Tot bestuurder van heel zijn bezit.
22daß er seine Fürsten unterwiese nach seiner Weise und seine Ältesten Weisheit lehrte.
22En terwijl hij diens vorsten door zijn geest onderrichtte, En wijsheid leerde aan zijn oudsten,
23Und Israel zog nach Ägypten, und Jakob ward ein Fremdling im Lande Hams.
23Trok Israël Egypte binnen, Werd Jakob gast in het land van Cham.
24Und er ließ sein Volk sehr wachsen und machte sie mächtiger denn ihre Feinde.
24Daar liet Hij zijn volk heel vruchtbaar worden, Veel talrijker dan zijn verdrukkers.
25Er verkehrte jener Herz, daß sie seinem Volk gram wurden und dachten, seine Knechte mit List zu dämpfen.
25Maar toen hun hart verstarde, en zij zijn volk gingen haten, En trouweloos zijn dienaren kwelden,
26Er sandte seinen Knecht Mose, Aaron, den er erwählt hatte.
26Zond Hij Moses, zijn dienstknecht, Aäron, dien Hij zelf had gekozen;
27Dieselben taten seine Zeichen unter ihnen und seine Wunder im Lande Hams.
27En zij verrichtten zijn tekenen onder hen, En wonderen in het land van Cham.
28Er ließ Finsternis kommen und machte es finster; und sie waren nicht ungehorsam seinen Worten.
28Hij zond duisternis af, en maakte het donker; Maar men achtte niet op zijn bevel.
29Er verwandelte ihre Wasser in Blut und tötete ihre Fische.
29Hij veranderde hun wateren in bloed, En doodde hun vissen.
30Ihr Land wimmelte Frösche heraus in den Kammern ihrer Könige.
30Hun land krioelde van kikkers, Tot in de zalen zelfs van hun koning.
31Er sprach: da kam Ungeziefer, Stechmücken in all ihr Gebiet.
31Hij sprak: Daar kwamen de muggen, Muskieten over heel hun gebied.
32Er gab ihnen Hagel zum Regen, Feuerflammen in ihrem Lande
32Hij gaf hun hagel voor regen, En het vuur laaide op in hun land.
33und schlug ihre Weinstöcke und Feigenbäume und zerbrach die Bäume in ihrem Gebiet.
33Hij sloeg hun wijnstok en vijg, En knakte de bomen op hun grond.
34Er sprach: da kamen Heuschrecken und Käfer ohne Zahl.
34Hij sprak: Daar kwamen de sprinkhanen aan, En ontelbare slokkers;
35Und sie fraßen alles Gras in ihrem Lande und fraßen die Früchte auf ihrem Felde.
35Ze verslonden al het gewas op het veld, En schrokten de vruchten weg van hun akker.
36Er schlug alle Erstgeburt in Ägypten, alle Erstlinge ihrer Kraft.
36Hij sloeg alle eerstgeborenen in hun land, Al de eersten van hun mannenkracht.
37Und er führte sie aus mit Silber und Gold; und war kein Gebrechlicher unter ihren Stämmen.
37Toen voerde Hij hen uit met zilver en goud, En geen van hun stammen bleef struikelend achter.
38Ägypten ward froh, daß sie auszogen; denn ihre Furcht war auf sie gefallen.
38Egypte was blij, dat ze gingen; Want de schrik voor hen had ze bevangen.
39Er breitete eine Wolke aus zur Decke und ein Feuer, des Nachts zu leuchten.
39En Hij spreidde een wolk uit tot dek, Een vuur, om de nacht te verlichten.
40Sie baten: da ließ er Wachteln kommen; und er sättigte sie mit Himmelsbrot.
40Zij baden: Hij liet de kwakkels komen, En verzadigde hen met brood uit de hemel;
41Er öffnete den Felsen: da floß Wasser heraus, daß Bäche liefen in der dürren Wüste.
41Hij spleet de rotsen: daar borrelden de wateren, En vloeiden door de woestijn als een stroom:
42Denn er gedachte an sein heiliges Wort, das er Abraham, seinem Knecht, hatte geredet.
42Want Hij was zijn heilige belofte indachtig, Aan Abraham, zijn dienaar, gedaan!
43Also führte er sein Volk in Freuden und seine Auserwählten in Wonne
43Zo leidde Hij zijn volk met gejubel, Zijn uitverkorenen onder gejuich.
44und gab ihnen die Länder der Heiden, daß sie die Güter der Völker einnahmen,
44Hij schonk hun de landen der heidenen, En ze erfden het vermogen der volken:
45auf daß sie halten sollten seine Rechte und sein Gesetze bewahren. Halleluja!
45Opdat ze zijn geboden zouden volbrengen, En zijn wetten onderhouden!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.