Psalmen 9
Lutherbibel 1912Translation
Lutherbibel 1912
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ein Psalm Davids, von der schönen Jugend, vorzusingen. Ich danke dem HERRN von ganzem Herzen und erzähle alle deine Wunder.
1Voor muziekbegeleiding. Wijze: De dood van den zoon. Een psalm van David. Met heel mijn hart wil ik U loven, o Jahweh En al uw wonderen vermelden;
2Ich freue mich und bin fröhlich in dir und lobe deinen Namen, du Allerhöchster,
2In U mij verheugen en juichen, Uw Naam, Allerhoogste, bezingen!
3daß du meine Feinde hinter sich getrieben hast; sie sind gefallen und umgekommen vor dir.
3Want mijn vijanden hebben de vlucht moeten nemen, Ze zijn gestruikeld en kwamen om voor uw blik;
4Denn du führest mein Recht und meine Sache aus; du sitzest auf dem Stuhl, ein rechter Richter.
4Want Gij hebt mijn pleit en belangen behartigd, Als rechtvaardig Rechter uw troon bestegen.
5Du schiltst die Heiden und bringst die Gottlosen um; ihren Namen vertilgst du immer und ewiglich.
5De heidenen hebt Gij bestraft, De goddelozen vernietigd, Zelfs hun naam uitgewist Voor altijd en immer.
6Die Schwerter des Feindes haben ein Ende; die Städte hast du umgekehrt; ihr Gedächtnis ist umgekommen samt ihnen.
6De vijanden werden tot zwijgen gebracht, Voor goed hun zwaarden gebroken; Hun steden hebt Gij verwoest, Zelfs de herinnering er aan ging verloren.
7Der HERR aber bleibt ewiglich; er hat seinen Stuhl bereitet zum Gericht,
7Ziet, Jahweh troont in eeuwigheid, Houdt zijn rechterstoel voor het oordeel gereed;
8und er wird den Erdboden recht richten und die Völker regieren rechtschaffen.
8Rechtvaardig richt Hij de wereld, Vonnist de volken, zoals ze verdienen.
9Und der HERR ist des Armen Schutz, ein Schutz in der Not.
9Zo bleef Jahweh een toevlucht voor de verdrukten, Een wijkplaats in tijden van nood;
10Darum hoffen auf dich, die deinen Namen kennen; denn du verlässest nicht, die dich, HERR, suchen.
10Die uw Naam kennen, mochten steeds op U hopen, Want nooit verliet Gij, die U zochten, o Jahweh!
11Lobet den HERRN, der zu Zion wohnt; verkündiget unter den Völkern sein Tun!
11Zingt nu voor Jahweh, die de Sion bewoont, Roept tot de volken zijn daden;
12Denn er gedenkt und fragt nach ihrem Blut; er vergißt nicht des Schreiens der Armen.
12Want de Bloedwreker blijft de verdrukten gedenken, Vergeet hun noodkreten niet.
13HERR, sei mir gnädig; siehe an mein Elend unter den Feinden, der du mich erhebst aus den Toren des Todes,
13Jahweh, wees mij genadig; zie mijn ellende, door mijn haters berokkend, Trek mij omhoog uit de poorten des doods,
14auf daß ich erzähle all deinen Preis in den Toren der Tochter Zion, daß ich fröhlich sei über deine Hilfe.
14Opdat ik overal uw lof mag verkonden, Om uw redding juichen in de poorten der dochter van Sion.
15Die Heiden sind versunken in der Grube, die sie zugerichtet hatten; ihr Fuß ist gefangen in dem Netz, das sie gestellt hatten.
15De heidenen zinken weg in de kuil, die ze groeven, Hun voet is gevangen in het net, dat ze spanden;
16So erkennt man, daß der HERR Recht schafft. Der Gottlose ist verstrickt in dem Werk seiner Hände. (Zwischenspiel. Sela.)
16Jahweh heeft Zich doen kennen, en vonnis gewezen: De goddeloze ligt in zijn eigen daden verstrikt.
17Ach daß die Gottlosen müßten zur Hölle gekehrt werden, alle Heiden, die Gottes vergessen!
17Zó mogen ook de zondaars naar het dodenrijk varen, Alle heidenen, die God niet gedenken;
18Denn er wird des Armen nicht so ganz vergessen, und die Hoffnung der Elenden wird nicht verloren sein ewiglich.
18Maar de arme worde niet eeuwig vergeten, De hoop der verdrukten niet altijd beschaamd.
19HERR, stehe auf, daß die Menschen nicht Oberhand haben; laß alle Heiden vor dir gerichtet werden!
19Sta op dan, Jahweh! Laat zich de mens niet vermeten, Maar laat de heidenen worden gericht voor uw aanschijn.
20Gib ihnen, HERR, einen Meister, daß die Heiden erkennen, daß sie Menschen sind. (Sela.)
20Jahweh, geef hun een les, Waaruit de heidenen leren, dat ze maar mens zijn.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.