Psalmen
Chapter 56
Lutherbibel 1912
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Psalmen 56

Lutherbibel 1912Translation
Lutherbibel 1912
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ein gülden Kleinod Davids, von der stummen Taube unter den Fremden, da ihn die Philister griffen zu Gath. Gott, sei mir gnädig, denn Menschen schnauben wider mich; täglich streiten sie und ängsten mich.
1Voor muziekbegeleiding; op de wijze: “Een duif van ver verwijderde terebinten.” Een puntdicht van David, toen de Filistijnen hem in Gat gevangen hielden. Ontferm U mijner, o God; want de mensen grijpen mij aan, Bekampen en kwellen mij iedere dag;
2Meine Feinde schnauben täglich; denn viele streiten stolz wider mich.
2Mijn vijanden bestoken mij altijd door, Want talrijk zijn mijn belagers.
3Wenn ich mich fürchte, so hoffe ich auf dich.
3Maar verre van mij, dat ik ooit zou vrezen; Op U heb ik mijn vertrouwen gesteld.
4Ich will Gottes Namen rühmen; auf Gott will ich hoffen und mich nicht fürchten; was sollte mir Fleisch tun?
4In Jahweh’s belofte kan ik jubelen; Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen?
5Täglich fechten sie meine Worte an; all ihre Gedanken sind, daß sie mir Übel tun.
5Ze blijven mij krenken, altijd door, Tegen mij zijn al hun boze plannen gericht;
6Sie halten zuhauf und lauern und haben acht auf meine Fersen, wie sie meine Seele erhaschen.
6Ze loeren en spieden, en belagen mijn hielen, Omdat ze mij naar het leven staan.
7Sollten sie mit ihrer Bosheit entrinnen? Gott, stoße solche Leute ohne alle Gnade hinunter!
7Vergeld ze hun misdaad, En werp in uw toorn de volkeren neer, o mijn God! In Jahweh’s belofte kan ik jubelen; Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen?
8Zähle die Wege meiner Flucht; fasse meine Tränen in deinen Krug. Ohne Zweifel, du zählst sie.
8Gij hebt mijn ellende geteld, Mijn tranen in uw kruik verzameld. Hebt Gij het zelf niet beloofd,
9Dann werden sich meine Feinde müssen zurückkehren, wenn ich rufe; so werde ich inne, daß du mein Gott bist.
9Dat mijn vijand zal vluchten, als ik U aanroep? Zo weet ik zeker, Dat God met mij is!
10Ich will rühmen Gottes Wort; ich will rühmen des HERRN Wort.
10In Jahweh’s belofte kan ik jubelen;
11Auf Gott hoffe ich und fürchte mich nicht; was können mir die Menschen tun?
11Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen?
12Ich habe dir, Gott, gelobt, daß ich dir danken will;
12O God, Gij hebt mij uw belofte gehouden, Ik breng U daarvoor mijn dank;
13denn du hast meine Seele vom Tode errettet, meine Füße vom Gleiten, daß ich wandle vor Gott im Licht der Lebendigen.
13Want Gij hebt mijn ziel behoed voor de dood, Zelfs mijn voet voor het stoten: Opdat ik voor Gods aanschijn blijf wandelen In het licht van het leven. In Jahweh’s belofte kan ik jubelen; Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen?

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.