Žalmy 56
Kralice Bible (1613)Translation
Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Přednímu z kantorů, o němé holubici v místech vzdálených, zlatý žalm Davidův, když ho jali Filistinští v Gát.
1Voor muziekbegeleiding; op de wijze: “Een duif van ver verwijderde terebinten.” Een puntdicht van David, toen de Filistijnen hem in Gat gevangen hielden. Ontferm U mijner, o God; want de mensen grijpen mij aan, Bekampen en kwellen mij iedere dag;
2Smiluj se nade mnou, ó Bože, nebo mne sehltiti chce člověk; každého dne boj veda, ssužuje mne.
2Mijn vijanden bestoken mij altijd door, Want talrijk zijn mijn belagers.
3Sehltiti mne usilují na každý den moji nepřátelé; jistě žeť jest mnoho válčících proti mně, ó Nejvyšší.
3Maar verre van mij, dat ik ooit zou vrezen; Op U heb ik mijn vertrouwen gesteld.
4Kteréhokoli dne strach mne obkličuje, v tebe doufám.
4In Jahweh’s belofte kan ik jubelen; Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen?
5Boha chváliti budu z slova jeho, v Boha doufati budu, aniž se budu báti, aby mi co mohlo učiniti tělo.
5Ze blijven mij krenken, altijd door, Tegen mij zijn al hun boze plannen gericht;
6Na každý den slova má převracejí, proti mně jsou všecka myšlení jejich ke zlému.
6Ze loeren en spieden, en belagen mijn hielen, Omdat ze mij naar het leven staan.
7Spolu se scházejí, skrývají se, a šlepějí mých šetří, číhajíce na duši mou.
7Vergeld ze hun misdaad, En werp in uw toorn de volkeren neer, o mijn God! In Jahweh’s belofte kan ik jubelen; Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen?
8Za nešlechetnost-liž zniknou pomsty? V prchlivosti, ó Bože, smeceš lidi ty.
8Gij hebt mijn ellende geteld, Mijn tranen in uw kruik verzameld. Hebt Gij het zelf niet beloofd,
9Ty má utíkání v počtu máš, schovej slzy mé do láhvice své, a což bys jich v počtu neměl?
9Dat mijn vijand zal vluchten, als ik U aanroep? Zo weet ik zeker, Dat God met mij is!
10A tehdyť obráceni budou zpět nepřátelé moji v ten den, když volati budu; toť vím, že Bůh při mně stojí.
10In Jahweh’s belofte kan ik jubelen;
11Jáť budu Boha chváliti z slova, Hospodina oslavovati budu z slova jeho.
11Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen?
12V Boha doufám, nebudu se báti, aby mi co učiniti mohl člověk.
12O God, Gij hebt mij uw belofte gehouden, Ik breng U daarvoor mijn dank;
13Tobě jsem, Bože, učinil sliby, a protož tobě vzdám chvály.
13Want Gij hebt mijn ziel behoed voor de dood, Zelfs mijn voet voor het stoten: Opdat ik voor Gods aanschijn blijf wandelen In het licht van het leven. In Jahweh’s belofte kan ik jubelen; Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen?
14Nebo jsi vytrhl z smrti duši mou, a nohy mé od poklesnutí, tak abych stále chodil před Bohem v světle živých.
no verse 14 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.