Žalmy 78
Kralice Bible (1613)Translation
Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Vyučující, Azafovi. Pozoruj, lide můj, zákona mého, nakloňte uší svých k slovům úst mých.
1Een leerdicht van Asaf. Luister naar mijn onderrichting, mijn volk, Geef acht op de woorden van mijn mond;
2Otevru v podobenství ústa svá, vypravovati budu přípovídky starobylé.
2Ik ga mijn mond voor een leerdicht openen, Diepzinnige lessen uit oude tijden verkonden!
3Co jsme slýchali i poznali, a co nám otcové naši vypravovali,
3Wat wij hebben gehoord en vernomen, En onze vaders ons hebben verteld,
4Nezatajíme toho před syny jejich, kteříž budoucím potomkům svým vypravovati budou chvály Hospodinovy, ano i moc jeho a divné skutky jeho, kteréž činil.
4Dat willen wij niet voor hun kinderen verbergen, Maar het verhalen aan een volgend geslacht: Jahweh’s heerlijke daden en macht, En de wonderen, die Hij deed.
5Neboť jest vyzdvihl svědectví v Jákobovi, a zákon vydal v Izraeli, což přikázal otcům našim, aby v známost uvodili synům svým,
5Hij gaf zijn geboden aan Jakob, Schonk aan Israël een wet; Hij beval onze vaderen, ze hun kinderen te leren,
6Aby to poznal věk potomní, synové, kteříž se zroditi měli, a ti povstanouce, aby vypravovali dítkám svým,
6Opdat een volgend geslacht ze zou kennen, En de kinderen, die hun werden geboren, Ze weer aan hun kinderen zouden vertellen.
7Aby pokládali v Bohu naději svou, a nezapomínali se na skutky Boha silného, ale ostříhali přikázaní jeho,
7Zij moesten vertrouwen stellen in God, Niet vergeten Gods werken, zijn geboden onderhouden;
8Aby nebývali jako otcové jejich, pokolení zpurné a protivné, národ, kterýž nenapravil srdce svého, a nebyl věrný Bohu silnému duch jeho.
8Niet worden als hun vaderen, Een lichtzinnig en opstandig geslacht: Een geslacht, onstandvastig van hart, En trouweloos van geest jegens God.
9Jako synové Efraim zbrojní, ač uměle z lučiště stříleli, však v čas boje zpět se obrátili,
9Maar Efraïms zonen waren ontrouw als schutters, Die terugtreden op de dag van de strijd.
10Nebo neostříhali smlouvy Boží, a v zákoně jeho zpěčovali se choditi.
10Ze deden het verbond met God niet gestand, En weigerden, zijn wet te beleven.
11Zapomenuli se na činy jeho, a na divné skutky jeho, kteréž jim ukázal.
11Ze vergaten zijn machtige werken, De wonderen, die Hij hun had getoond.
12Před otci jejich činil divy v zemi Egyptské, na poli Soan.
12Toch had Hij ook voor hun vaderen Wondertekenen gewrocht In het land van Egypte, In de vlakte van Sóan:
13Rozdělil moře, a převedl je; učinil, aby stály vody jako hromada.
13Hij kliefde de zee en voerde hen er doorheen, Zette de wateren overeind als een dam.
14Vedl je ve dne v oblace, a každé noci v jasném ohni.
14Hij leidde hen overdag door een wolk, Door een lichtend vuur heel de nacht.
15Protrhl skály na poušti, a napájel je jako z propastí velikých.
15Hij spleet in de woestijn de rotsen vaneen, En drenkte de steppen met plassen;
16Vyvedl potoky z skály, a učinil, aby vody tekly jako řeky.
16Uit de klippen liet Hij beken ontspringen, En er water uit vloeien bij stromen.
17A však vždy přičíněli hříchů proti němu, a popouzeli Nejvyššího na poušti.
17Maar ze zondigden opnieuw tegen Hem, En tartten den Allerhoogste in de woestijn;
18A pokoušeli Boha silného v srdci svém, žádajíce pokrmu podlé líbosti své.
18Ze stelden God in hun hart op de proef, Door spijs voor hun leeftocht te eisen.
19A mluvili proti Bohu, řkouce: Zdaliž bude moci Bůh silný připraviti stůl na této poušti?
19En krenkend spraken ze over God: “Zou God een tafel in de woestijn kunnen dekken?”
20Aj, udeřilť jest v skálu, a tekly vody, a řeky se rozvodnily. Zdali také bude moci dáti chleba? Zdali nastrojí masa lidu svému?
20“Zeker, Hij heeft wel de rotsen geslagen, En de steppen met plassen gedrenkt, Zodat er water uit vloeide, En er beken uit stroomden: Maar zal Hij ook brood kunnen schenken, En vlees aan zijn volk kunnen geven?”
21A protož uslyšav Hospodin, rozhněval se, a oheň zažžen jest proti Jákobovi, a prchlivost vstoupila na Izraele,
21Toen Jahweh dit hoorde, Ontstak Hij in gramschap; Er ontbrandde een vuur tegen Jakob, En tegen Israël woedde zijn toorn:
22Proto že se nedověřili Bohu, a neměli naděje v spasení jeho,
22Omdat ze niet in God geloofden, En niet vertrouwden op zijn hulp.
23Ačkoli rozkázal oblakům shůry, a průduchy nebeské otevřel,
23Toch gaf Hij de wolken daarboven bevel, En ontsloot de poorten des hemels;
24A dštil na ně mannou ku pokrmu, a obilé nebeské dával jim.
24Hij regende manna als spijs op hen neer, En schonk hun het hemelse koren:
25Chléb mocných jedl člověk, seslal jim pokrmů do sytosti.
25De mensen aten het brood der engelen, Hij zond hun voedsel tot verzadiging toe.
26Obrátil vítr východní u povětří, a přivedl mocí svou vítr polední.
26Hij liet ook aan de hemel de oostenwind waaien, En zweepte de zuidenwind op door zijn kracht:
27I dštil na ně masem jako prachem, a ptactvem pernatým jako pískem mořským.
27Hij regende vlees als stof op hen neer, Gevleugelde vogels als het zand van de zee;
28Spustil je do prostřed vojska jejich, a všudy vůkol stanů jejich.
28Hij liet ze midden in hun legerplaats vallen, En rond hun tenten.
29I jedli, a nasyceni jsou hojně, a dal jim to, čehož žádali.
29Zij aten, en werden ten volle verzadigd: Hij had hun geschonken, wat ze begeerden;
30Ještě nevyplnili žádosti své, ještě pokrm byl v ústech jejich,
30Maar nog was hun lust niet voldaan, en de spijs in hun mond,
31A v tom prchlivost Boží připadla na ně, a zbil tučné jejich, a přední Izraelské porazil.
31Of Gods gramschap barstte tegen hen los; Hij richtte een slachting aan onder hun sterksten, En velde de bloem van Israël neer.
32S tím se vším vždy ještě hřešili, a nevěřili předivným skutkům jeho.
32Ondanks dit alles, bleven ze in hun zonden volharden, En niet aan zijn wonderen geloven.
33A protož dopustil na ně, že marně skonali dny své, a léta svá s chvátáním.
33Toen liet Hij doelloos hun dagen verlopen, En in ontgoocheling hun jaren.
34Když je hubil, jestliže ho hledali, a zase k Bohu silnému hned na úsvitě se navraceli,
34Ze zochten Hem enkel, wanneer Hij ze sloeg; Dan bekeerden ze zich, en vroegen naar God.
35Rozpomínajíce se na to, že Bůh byl skála jejich, a Bůh silný nejvyšší vykupitel jejich:
35Maar zelfs als ze gedachten, dat God hun Rots was, De allerhoogste God hun Verlosser,
36(Ačkoli mu s pochlebenstvím mluvili ústy svými, a jazykem svým lhali jemu.
36Ook dan nog vleiden ze Hem met hun mond, En belogen Hem met hun tong.
37A srdce jejich nebylo upřímé před ním, aniž se věrně měli v smlouvě jeho),
37Neen, hun hart was Hem toch niet verknocht, Ze bleven zijn verbond niet getrouw.
38On jsa milosrdný, odpouštěl nepravosti jejich, a nezahladil jich; častokrát odvracel hněv svůj, a nevzbuzoval vší zůřivosti své.
38Maar Hij bleef barmhartig, Vergaf hun de schuld en vernielde ze niet. Hoe dikwijls bedwong Hij zijn toorn, En liet zijn volle gramschap niet woeden:
39Nebo pamatoval, že jsou tělo, vítr, kterýž odchází, a nenavracuje se zase.
39Hij dacht er aan, dat ze maar vlees zijn, Een zucht,; die vervliegt, en niet keert.
40Kolikrát jsou ho dráždili na poušti, a k bolesti přivodili na pustinách.
40Hoe dikwijls nog hebben ze in de woestijn Hem verbitterd, En Hem in de steppe gekrenkt;
41Týž i týž navracujíce se, pokoušeli Boha silného, a svatému Izraelskému cíle vyměřovali.
41Hebben ze God beproefd, Israëls Heilige gegriefd?
42Nepamatovali na moc jeho, a na ten den, v kterémž je vysvobodil z ssoužení,
42Neen, ze dachten niet terug aan de macht van zijn hand, Aan de dag, waarop Hij ze van den vijand verloste.
43Když činil v Egyptě znamení svá, a zázraky své na poli Soan,
43En toch, wat voor tekenen had Hij in Egypte gedaan, En wonderen in de vlakte van Sóan!
44Když obrátil v krev řeky a potoky jejich, tak že jich píti nemohli.
44Hun stromen had Hij in bloed veranderd, En hun beken ondrinkbaar gemaakt;
45Dopustil na ně směsici žížal, aby je žraly, a žáby, aby je hubily.
45Gulzige muggen op hen afgezonden, En kikvorsen, om ze te gronde te richten.
46A dal chroustům úrody jejich, a úsilí jejich kobylkám.
46Hij had hun gewas aan den sprinkhaan gegeven, En aan den schrokker hun vruchten;
47Stloukl krupami réví jejich, a stromy fíkové jejich ledem.
47Hun ranken door hagel vernield, Hun moerbei door ijzel;
48Vydal krupobití na hovada jejich, a na dobytek jejich uhlí řeřavé.
48Hun vee een prooi der pest gemaakt, Hun kudde een buit der besmetting.
49Poslal na ně prchlivost hněvu svého, rozpálení, zůřivost i ssoužení, dopustiv na ně anděly zlé.
49En op henzelf had Hij zijn ziedende gramschap losgelaten, Zijn toorn, zijn woede en kwelling; Verderf-engelen op hen afgezonden, De vrije loop aan zijn gramschap gelaten:
50Uprostrannil stezku prchlivosti své, neuchoval od smrti duše jejich, ano i na hovada jejich mor dopustil.
50Hij had ze de dood niet laten ontsnappen, Maar hun leven prijs gegeven aan de pest.
51A pobil všecko prvorozené v Egyptě, prvotiny síly v staních Chamových.
51Hij had alle eerstgeborenen in Egypte geslagen, De eerstelingen der mannelijke kracht in de tenten van Cham.
52Ale lid svůj vyvedl jako ovce, a vodil se s nimi jako s stádem po poušti.
52Maar zijn volk had Hij weggeleid als een kudde, En als schapen door de steppe gevoerd;
53Vodil je v bezpečnosti, tak že nestrašili, nepřátely pak jejich přikrylo moře,
53Hij had ze veilig doen gaan, ze behoefden niemand te vrezen: Want de zee had hun vijand bedekt.
54Až je přivedl ku pomezí svatosti své, na horu tu, kteréž dobyla pravice jeho.
54Zo bracht Hij hen naar zijn heilige grond, Naar de berg, die zijn rechterhand had veroverd.
55Vyhnav před tváří jejich národy, způsobil to, aby jim na provazec dědictví jejich přišli, a aby přebývala v staních jejich pokolení Izraelská.
55Hij dreef de volkeren voor hen uit, Gaf ze bij lot als erfdeel weg; En in hun tenten liet Hij wonen. Israëls stammen.
56Však vždy předce pokoušeli a dráždili Boha nejvyššího, a svědectví jeho neostříhali.
56Maar ook daar beproefden en tartten ze God, En onderhielden de geboden van den Allerhoogste niet.
57Ale zpět odšedše, převráceně činili, jako i předkové jejich; uchýlili se jako mylné lučiště.
57Trouweloos vielen ze af als hun vaderen, Wispelturig als een onbetrouwbare boog;
58Nebo popouzeli ho výsostmi svými, a rytinami svými k horlení přivedli jej.
58Ze tergden Hem door hun offerhoogten, En prikkelden Hem met hun beelden.
59Slyšel Bůh, a rozhněval se, a u velikou ošklivost vzal Izraele,
59God merkte het, en ziedde van gramschap, En Israël begon Hem te walgen:
60Tak že opustiv příbytek v Sílo, stánek, kterýž postavil mezi lidmi,
60Hij gaf zijn woning in Sjilo prijs, De tent, waar Hij onder de mensen verkeerde;
61Vydal v zajetí sílu svou, a slávu svou v ruce nepřítele.
61Zijn majesteit gaf Hij gevangen, Zijn glorie in de hand van den vijand.
62Dal pod meč lid svůj, a na dědictví své se rozhněval.
62Hij wierp zijn volk ten prooi aan het zwaard, En grimde van toorn op zijn erfdeel:
63Mládence jeho sežral oheň, a panny jeho nebyly chváleny.
63Zijn jonge mannen werden verteerd door het vuur, Zijn maagden kregen geen huwelijkslied;
64Kněží jejich od meče padli, a vdovy jejich neplakaly.
64Zijn priesters vielen door het zwaard, En zijn weduwen beweenden ze niet.
65Potom pak procítil Pán jako ze sna, jako silný rek, kterýž po víně sobě vykřikuje.
65Maar eindelijk ontwaakte de Heer, als iemand die slaapt, En als een krijgsman, bevangen door wijn:
66A ranil nepřátely své po zadu, a u věčné pohanění je vydal.
66Hij sloeg zijn vijanden achteruit, En bracht ze voor eeuwig tot schande.
67Ačkoli pak pohrdl stánkem Jozefovým, a pokolení Efraimova nevyvolil,
67Toch bleef Hij de tent van Josef versmaden, En koos de stam van Efraïm niet uit!
68Však vyvolil pokolení Judovo, horu Sion, kterouž zamiloval.
68Neen, Juda’s stam koos Hij uit, Sions berg, die Hij liefhad;
69A vystavěl sobě, jako hrad vysoký, svatyni svou, jako zemi, kterouž utvrdil na věky.
69Hij bouwde zijn heiligdom hoog als de hemel, Vast als de aarde voor eeuwig.
70A vyvolil Davida služebníka svého, vzav jej od chlévů stáda.
70En Hij stelde zijn keuze In David, zijn dienaar! Hij nam hem van de schaapskooien weg,
71Když chodil za ovcemi březími, zavedl jej, aby pásl Jákoba, lid jeho, a Izraele, dědictví jeho.
71En haalde hem van de zogende schapen, Opdat hij Jakob, zijn volk, zou weiden, En Israël, zijn erfdeel.
72Kterýž pásl je v upřímnosti srdce svého, a zvláštní opatrností rukou svých vodil je.
72Hij heeft ze geweid, rechtschapen van hart, En met bekwame hand ze geleid!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.