Žalmy 147
Kralice Bible (1613)Translation
Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Chvalte Hospodina, nebo dobré jest zpívati žalmy Bohu našemu, nebo rozkošné jest, a ozdobná jest chvála.
1Halleluja! Looft Jahweh: want het is goed, Hem te prijzen, Onzen God: want het is lieflijk en schoon, Hem te roemen!
2Stavitel Jeruzaléma Hospodin, rozptýlený lid Izraelský shromažďuje,
2Jahweh bouwt Jerusalem weer op, En brengt de verstrooiden van Israël bijeen.
3Kterýž uzdravuje skroušené srdcem, a uvazuje bolesti jejich,
3Hij is het, die de gebroken harten geneest, En hun wonden verbindt;
4Kterýž sčítá počet hvězd, a každé z nich ze jména povolává.
4Die het getal van de sterren bepaalt, En ze allen roept bij haar naam.
5Velikýť jest Pán náš, a nesmírný v síle; rozumnosti jeho není počtu.
5Groot is onze Heer, geweldig zijn macht, Zijn wijsheid oneindig;
6Pozdvihuje pokorných Hospodin, ale bezbožné snižuje až k zemi.
6Jahweh richt de nederigen op, Maar de bozen werpt Hij ter aarde.
7Zpívejte Hospodinu s díkčiněním, zpívejte žalmy Bohu našemu na citaře,
7Heft Jahweh een jubelzang aan Speelt op de citer voor onzen God:
8Kterýž zastírá nebesa hustými oblaky, nastrojuje zemi déšť, a vyvodí trávu na horách.
8Die de hemel met wolken bedekt, En de regen bereidt voor de aarde. Die op de bergen gras doet ontspruiten, En groen voor de beesten, die den mens moeten dienen;
9Kterýž dává hovadům potravu jejich, i mladým krkavcům, kteříž volají k němu.
9Die aan het vee zijn voedsel geeft, En aan de jonge raven, die er om roepen.
10Nemáť v síle koně zalíbení, aniž se kochá v lejtkách muže udatného.
10Hij vindt geen vreugde in de sterkte der paarden, Hem verheugen geen krachtige schenkels;
11Líbost má Hospodin v těch, kteříž se ho bojí, a kteříž doufají v milosrdenství jeho.
11Maar Jahweh heeft behagen in hen, die Hem vrezen, En die smachten naar zijn genade!
12Chval, Jeruzaléme, Hospodina, chval Boha svého, Sione.
12Breng Jahweh lof, Jerusalem; Sion, loof uw God!
13Nebo on utvrzuje závory bran tvých, požehnání udílí synům tvým u prostřed tebe.
13Want Hij heeft de grendels van uw poorten versterkt, Uw zonen binnen uw muren gezegend,
14On působí v končinách tvých pokoj, a bělí pšeničnou nasycuje tě.
14De vrede aan uw grenzen geschonken, U met de bloem der tarwe verzadigd.
15On když vysílá na zemi rozkaz svůj, velmi rychle k vykonání běží slovo jeho.
15Hij is het, die de aarde zijn bevelen stuurt, En haastig rept zich zijn woord:
16Onť dává sníh jako vlnu, jíním jako popelem posýpá.
16Die sneeuw als wolvlokken zendt, Zijn ijzel rondstrooit als as.
17Hází ledem svým jako skyvami; před zimou jeho kdo ostojí?
17Hij werpt zijn hagel bij brokken, En voor zijn koude stollen de wateren;
18Vysílaje slovo své, rozpouští je; hned jakž povane větrem svým, anť tekou vody.
18Maar Hij stuurt zijn bevel, en ze smelten: Zijn winden waaien, weer stromen de wateren.
19Zvěstuje slovo své Jákobovi, ustanovení svá a soudy své Izraelovi.
19Hij maakte Jakob zijn geboden bekend, Israël zijn bevelen en wetten:
20Neučinilť tak žádnému národu, a protož soudů jeho nepoznali. Halelujah.
20Zo deed Hij voor geen ander volk, Nooit heeft Hij hùn zijn wetten geleerd! Halleluja!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.