Žalmy
Chapter 102
Kralice Bible (1613)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Žalmy 102

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Modlitba chudého, když sevřín jsa, před Hospodinem vylévá žádosti své.
1Gebed van een ongelukkige, als de moed hem ontzinkt, en hij voor Jahweh zijn jammerklacht uitstort. Jahweh, hoor mijn gebed, Mijn jammerklacht dringe tot U door!
2Hospodine, slyš modlitbu mou, a volání mé přijdiž k tobě.
2Verberg voor mij uw aanschijn niet, Wanneer het mij bang wordt; Luister naar mij, als ik roep, En verhoor mij toch snel!
3Neskrývej tváři své přede mnou, v den ssoužení mého nakloň ke mně ucha svého; když k tobě volám, rychle vyslyš mne.
3Want als rook gaan mijn dagen voorbij; En mijn gebeente gloeit als een oven;
4Nebo mizejí jako dým dnové moji, a kosti mé jako ohniště vypáleny jsou.
4Mijn hart is verdroogd en verdord als het gras, Want ik denk er niet aan, mijn brood nog te eten;
5Poraženo jest jako bylina, a usvadlo srdce mé, tak že jsem chleba svého jísti zapomenul.
5En door mijn klagen en kermen, Kleeft mijn gebeente aan mijn vlees.
6Od hlasu lkání mého přilnuly kosti mé k kůži mé.
6Ik ben als een pelikaan der woestijn, En als een uil tussen puinen;
7Podobný jsem učiněn pelikánu na poušti, jsem jako výr na pustinách.
7Ik kan niet meer slapen, en zit maar te klagen, Als een eenzame mus op het dak.
8Bdím, a jsem jako vrabec osamělý na střeše.
8Mijn vijanden houden niet op, mij te honen, En tegen mij te razen en te vloeken.
9Každý den utrhají mi nepřátelé moji, a posměvači moji proklínají mnou.
9Ja, ik eet as als mijn brood, En met tranen meng ik mijn drank;
10Nebo jídám popel jako chléb, a k nápoji svému slz přiměšuji,
10Want Gij hebt om uw gramschap en toorn Mij opgenomen en weggeslingerd!
11Pro rozhněvání tvé a zažžený hněv tvůj; nebo zdvihna mne, hodils mnou.
11Mijn dagen vlieden heen als een schaduw, Ik kwijn weg als het gras.
12Dnové moji jsou jako stín nachýlený, a já jako tráva usvadl jsem.
12Maar Gij, Jahweh, blijft eeuwig, En uw Naam van geslacht tot geslacht!
13Ale ty, Hospodine, na věky zůstáváš, a památka tvá od národu až do pronárodu.
13Gij zult opstaan, en U over Sion ontfermen: Het is tijd, hem genadig te zijn; het uur is gekomen!
14Ty povstana, smiluješ se nad Sionem, nebo čas jest učiniti milost jemu, a čas uložený přišel.
14Want uw dienaars hebben zijn stenen lief, En hebben deernis met zijn puinen.
15Nebo líbost mají služebníci tvoji v kamení jeho, a nad prachem jeho slitují se,
15Dan zullen de heidenen de Naam van Jahweh vrezen, Alle vorsten der aarde uw majesteit:
16Aby se báli pohané jména Hospodinova, a všickni králové země slávy tvé,
16Omdat Jahweh Sion herbouwt, En Zich openbaart in zijn glorie;
17Když by Hospodin vzdělal Sion, a ukázal se v slávě své,
17Zich tot de bede der verlatenen neigt, En hun gebed niet versmaadt!
18Když by popatřil k modlitbě poníženého lidu, nepohrdaje modlitbou jejich.
18Men schrijve dit op voor een volgend geslacht, Opdat het volk, door Jahweh herschapen, Hem zal prijzen:
19Budeť to zapsáno pro budoucí potomky, a lid, kterýž má stvořen býti, chváliti bude Hospodina,
19Als Jahweh weer neerziet Uit zijn heilige woning, En uit de hemel Weer neerblikt op aarde:
20Že shlédl s výsosti svatosti své. Hospodin s nebe na zemi že popatřil,
20Om het gekerm der gevangenen te horen, Te verlossen, die ten dode zijn gewijd;
21Aby vyslyšel vzdychání vězňů, a rozvázal ty, kteříž již k smrti oddání byli,
21En om Jahweh’s Naam in Sion te melden, In Jerusalem zijn lof,
22Aby vypravovali na Sionu jméno Hospodinovo, a chválu jeho v Jeruzalémě,
22Wanneer de volkeren zich verzamelen, En de koninkrijken, om Jahweh te dienen!
23Když se spolu shromáždí národové a království, aby sloužili Hospodinu.
23Wel heeft Hij midden op mijn weg mijn krachten gebroken, En mijn dagen verkort; maar toch blijf ik bidden:
24Ztrápilť jest na cestě sílu mou, ukrátil dnů mých,
24Mijn God, neem mij niet weg op de helft mijner dagen; Uw jaren duren van geslacht tot geslacht.
25Až jsem řekl: Můj Bože, nebeř mne u prostřed dnů mých; od národu zajisté až do pronárodu jsou léta tvá,
25In den beginne hebt Gij de aarde gegrond, En de hemelen zijn het werk uwer handen!
26I prvé nežlis založil zemi, a dílo rukou svých, nebesa.
26Zij zullen vergaan, maar Gij blijft; Als een kleed zullen zij allen verslijten.
27Onať pominou, ty pak zůstáváš; všecky ty věci jako roucho zvetšejí, jako oděv změníš je, a změněny budou.
27Gij verwisselt ze als een mantel, zij zullen verdwijnen; Maar Gij blijft dezelfde, en uw jaren nemen geen einde.
28Ty pak jsi tentýž, a léta tvá nikdy nepřestanou.
28Zo blijven ook de zonen uwer dienaars bestaan, En hun kroost houdt stand voor uw aanschijn!
29Synové služebníků tvých bydliti budou, a símě jejich zmocní se před tebou.
no verse 29 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.