Salmos
Chapter 102
Reina-Valera 1909
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Salmos 102

Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Oración del pobre, cuando estuviere angustiado, y delante de Jehová derramare su lamento. JEHOVÁ, oye mi oración, y venga mi clamor á ti.
1Gebed van een ongelukkige, als de moed hem ontzinkt, en hij voor Jahweh zijn jammerklacht uitstort. Jahweh, hoor mijn gebed, Mijn jammerklacht dringe tot U door!
2No escondas de mí tu rostro: en el día de mi angustia inclina á mí tu oído; el día que te invocare, apresúrate á responderme.
2Verberg voor mij uw aanschijn niet, Wanneer het mij bang wordt; Luister naar mij, als ik roep, En verhoor mij toch snel!
3Porque mis días se han consumido como humo; y mis huesos cual tizón están quemados.
3Want als rook gaan mijn dagen voorbij; En mijn gebeente gloeit als een oven;
4Mi corazón fué herido, y secóse como la hierba; por lo cual me olvidé de comer mi pan.
4Mijn hart is verdroogd en verdord als het gras, Want ik denk er niet aan, mijn brood nog te eten;
5Por la voz de mi gemido mis huesos se han pegado á mi carne.
5En door mijn klagen en kermen, Kleeft mijn gebeente aan mijn vlees.
6Soy semejante al pelícano del desierto; soy como el buho de las soledades.
6Ik ben als een pelikaan der woestijn, En als een uil tussen puinen;
7Velo, y soy como el pájaro solitario sobre el tejado.
7Ik kan niet meer slapen, en zit maar te klagen, Als een eenzame mus op het dak.
8Cada día me afrentan mis enemigos; los que se enfurecen contra mí, hanse contra mí conjurado.
8Mijn vijanden houden niet op, mij te honen, En tegen mij te razen en te vloeken.
9Por lo que como la ceniza á manera de pan, y mi bebida mezclo con lloro,
9Ja, ik eet as als mijn brood, En met tranen meng ik mijn drank;
10A causa de tu enojo y de tu ira; pues me alzaste, y me has arrojado.
10Want Gij hebt om uw gramschap en toorn Mij opgenomen en weggeslingerd!
11Mis días son como la sombra que se va; y heme secado como la hierba.
11Mijn dagen vlieden heen als een schaduw, Ik kwijn weg als het gras.
12Mas tú, Jehová, permanecerás para siempre, y tu memoria para generación y generación.
12Maar Gij, Jahweh, blijft eeuwig, En uw Naam van geslacht tot geslacht!
13Tú levantándote, tendrás misericordia de Sión; porque el tiempo de tener misericordia de ella, porque el plazo es llegado.
13Gij zult opstaan, en U over Sion ontfermen: Het is tijd, hem genadig te zijn; het uur is gekomen!
14Porque tus siervos aman sus piedras, y del polvo de ella tienen compasión.
14Want uw dienaars hebben zijn stenen lief, En hebben deernis met zijn puinen.
15Entonces temerán las gentes el nombre de Jehová, y todos los reyes de la tierra tu gloria;
15Dan zullen de heidenen de Naam van Jahweh vrezen, Alle vorsten der aarde uw majesteit:
16Por cuanto Jehová habrá edificado á Sión, y en su gloria será visto;
16Omdat Jahweh Sion herbouwt, En Zich openbaart in zijn glorie;
17Habrá mirado á la oración de los solitarios, y no habrá desechado el ruego de ellos.
17Zich tot de bede der verlatenen neigt, En hun gebed niet versmaadt!
18Escribirse ha esto para la generación venidera: y el pueblo que se criará, alabará á JAH.
18Men schrijve dit op voor een volgend geslacht, Opdat het volk, door Jahweh herschapen, Hem zal prijzen:
19Porque miró de lo alto de su santuario; Jehová miró de los cielos á la tierra,
19Als Jahweh weer neerziet Uit zijn heilige woning, En uit de hemel Weer neerblikt op aarde:
20Para oir el gemido de los presos, para soltar á los sentenciados á muerte;
20Om het gekerm der gevangenen te horen, Te verlossen, die ten dode zijn gewijd;
21Porque cuenten en Sión el nombre de Jehová, y su alabanza en Jerusalem,
21En om Jahweh’s Naam in Sion te melden, In Jerusalem zijn lof,
22Cuando los pueblos se congregaren en uno, y los reinos, para servir á Jehová.
22Wanneer de volkeren zich verzamelen, En de koninkrijken, om Jahweh te dienen!
23El afligió mi fuerza en el camino; acortó mis días.
23Wel heeft Hij midden op mijn weg mijn krachten gebroken, En mijn dagen verkort; maar toch blijf ik bidden:
24Dije: Dios mío, no me cortes en el medio de mis días: por generación de generaciones son tus años.
24Mijn God, neem mij niet weg op de helft mijner dagen; Uw jaren duren van geslacht tot geslacht.
25Tú fundaste la tierra antiguamente, y los cielos son obra de tus manos.
25In den beginne hebt Gij de aarde gegrond, En de hemelen zijn het werk uwer handen!
26Ellos perecerán, y tú permanecerás; y todos ellos como un vestido se envejecerán; como una ropa de vestir los mudarás, y serán mudados:
26Zij zullen vergaan, maar Gij blijft; Als een kleed zullen zij allen verslijten.
27Mas tú eres el mismo, y tus años no se acabarán.
27Gij verwisselt ze als een mantel, zij zullen verdwijnen; Maar Gij blijft dezelfde, en uw jaren nemen geen einde.
28Los hijos de tus siervos habitarán, y su simiente será afirmada delante de ti.
28Zo blijven ook de zonen uwer dienaars bestaan, En hun kroost houdt stand voor uw aanschijn!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.