Salmos 135
Reina-Valera 1909Translation
Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Aleluya. ALABAD el nombre de Jehová; alabad le , siervos de Jehová;
1Halleluja! Looft Jahweh’s Naam, Looft Hem, dienaars van Jahweh:
2Los que estáis en la casa de Jehová, en los atrios de la casa de nuestro Dios.
2Gij, die in het huis van Jahweh staat, In de voorhoven van het huis van onzen God!
3Alabad á JAH, porque es bueno Jehová: cantad salmos á su nombre, porque es suave.
3Looft Jahweh: want Jahweh is goed, Verheerlijkt zijn Naam: want die is zo lieflijk;
4Porque JAH ha escogido á Jacob para sí, á Israel por posesión suya.
4Want Jahweh heeft Zich Jakob verkoren, En Israël tot zijn bezit!
5Porque yo se que Jehová es grande, y el Señor nuestro, mayor que todos los dioses.
5Ja, ik weet het: Jahweh is groot, Onze Heer boven alle goden verheven;
6Todo lo que quiso Jehová, ha hecho en los cielos y en la tierra, en las mares y en todos los abismos.
6Jahweh doet wat Hij wil In hemel en aarde, in zeeën en diepten.
7El hace subir las nubes del cabo de la tierra; él hizo los relámpagos para la lluvia; él saca los vientos de sus tesoros.
7Hij laat de wolken verrijzen Aan de kimmen der aarde; Smeedt de bliksem tot regen, Haalt de wind uit zijn schuren.
8El es el que hirió los primogénitos de Egipto, desde el hombre hasta la bestia.
8Hij was het, die Egypte’s eerstgeborenen sloeg, Van mensen en vee;
9Envió señales y prodigios en medio de ti, oh Egipto, sobre Faraón, y sobre todos sus siervos.
9Die tekenen en wonderen deed in uw midden, Egypte, Tegen Farao en al die hem dienden;
10El que hirió muchas gentes, y mató reyes poderosos:
10Die talrijke volken versloeg, En machtige koningen doodde:
11A Sehón rey Amorrheo, y á Og rey de Basán, y á todos los reinos de Canaán.
11Sichon, den vorst der Amorieten, En Og, den koning van Basjan. Hij was het, die alle vorsten vernielde En alle koninkrijken van Kanaän;
12Y dió la tierra de ellos en heredad, en heredad á Israel su pueblo.
12En die hun land ten erfdeel gaf, Tot bezit aan Israël, zijn volk.
13Oh Jehová, eterno es tu nombre; tu memoria, oh Jehová para generación y generación.
13Uw Naam duurt eeuwig, o Jahweh, Uw roem, o Jahweh, van geslacht tot geslacht;
14Porque juzgará Jehová su pueblo, y arrepentiráse sobre sus siervos.
14Want Jahweh schaft recht aan zijn volk, En ontfermt Zich over zijn dienaars.
15Los ídolos de las gentes son plata y oro, obra de manos de hombres.
15Maar de goden der volken zijn zilver en goud, Door mensenhanden gemaakt:
16Tienen boca, y no hablan; tienen ojos, y no ven;
16Ze hebben een mond, maar kunnen niet spreken; Ogen, maar kunnen niet zien;
17Tienen orejas, y no oyen; tampoco hay espíritu en sus bocas.
17Oren, maar kunnen niet horen; Ze hebben geen adem in hun mond.
18Como ellos son los que los hacen; todos los que en ellos confían.
18Aan hen worden gelijk, die ze maken, En allen, die er op hopen!
19Casa de Israel, bendecid á Jehová: casa de Aarón, bendecid á Jehová:
19Huis van Israël, zegent dan Jahweh; Huis van Aäron, zegent dan Jahweh;
20Casa de Leví, bendecid á Jehová: los que teméis á Jehová, bendecid á Jehová.
20Huis van Levi, zegent dan Jahweh; Die Jahweh vrezen, zegent dan Jahweh;
21Bendito de Sión Jehová, que mora en Jerusalem. Aleluya.
21Gezegend zij Jahweh uit Sion, Hij, die in Jerusalem woont!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.