Salmos 140
Reina-Valera 1909Translation
Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Al Músico principal: Salmo de David. LÍBRAME, oh Jehová, de hombre malo: guárdame de hombre violento;
1Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. Red mij, Jahweh, uit de macht van de bozen, Behoed mij voor den man van geweld:
2Los cuales maquinan males en el corazón, cada día urden contiendas.
2Die kwaad verzinnen in hun hart, Dag in, dag uit blijven twisten;
3Aguzaron su lengua como la serpiente; veneno de áspid hay debajo de sus labios. (Selah.)
3Die scherpe tongen hebben als slangen, En adderengif op hun lippen.
4Guárdame, oh Jehová, de manos del impío, presérvame del hombre injurioso; que han pensado de trastornar mis pasos.
4Bescherm mij, Jahweh, tegen de macht van den boze, Behoed mij voor den man van geweld, Die mij de voet trachten te lichten,
5Hanme escondido lazo y cuerdas los soberbios; han tendido red junto á la senda; me han puesto lazos. (Selah.)
5Mij klemmen en strikken durven leggen, Netten spannen langs mijn weg, En een val voor mij zetten.
6He dicho á Jehová: Dios mío eres tú; escucha, oh Jehová, la voz de mis ruegos.
6Ik zeg tot Jahweh: Gij zijt mijn God, Hoor naar mijn smeken, o Jahweh!
7Jehová Señor, fortaleza de mi salud, tú pusiste á cubierto mi cabeza el día de las armas.
7Jahweh, mijn Heer, Gij zijt mijn machtige Helper, Gij beschut mijn hoofd op de dag van de strijd.
8No des, oh Jehová, al impío sus deseos; no saques adelante su pensamiento, que no se ensoberbezca. (Selah.)
8Jahweh, laat de opzet der bozen niet slagen, Hun aanslag niet lukken.
9En cuanto á los que por todas partes me rodean, la maldad de sus propios labios cubrirá su cabeza.
9Laat mijn belagers hun hoofd niet verheffen, Maar de vloek van hun eigen lippen ze treffen;
10Caerán sobre ellos brasas; Dios los hará caer en el fuego, en profundos hoyos de donde no salgan.
10Laat het vurige kolen op hen regenen, In kuilen hen vallen, waaruit ze niet opstaan.
11El hombre deslenguado no será firme en la tierra: el mal cazará al hombre injusto para derribarle.
11Moge de kwaadspreker geen voorspoed genieten op aarde, Maar onheil den geweldenaar meedogenloos vervolgen!
12Yo sé que hará Jehová el juicio del afligido, el juicio de los menesterosos.
12Ik weet, dat Jahweh den ongelukkige recht zal verschaffen, En gerechtigheid aan de armen;
13Ciertamente los justos alabarán tu nombre; los rectos morarán en tu presencia.
13Dan zullen de vromen uw Naam verheerlijken, De deugdzamen voor uw aangezicht wonen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.