Salmos
Chapter 91
Reina-Valera 1909
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Salmos 91

Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1EL que habita al abrigo del Altísimo, morará bajo la sombra del Omnipotente.
1Wie onder de hoede van den Allerhoogste verblijft, En in de schaduw van den Almachtige woont,
2Diré yo á Jehová: Esperanza mía, y castillo mío; mi Dios, en él confiaré.
2Mag zeggen tot Jahweh: “Mijn toevlucht en sterkte, Mijn God, op wien ik vertrouw!”
3Y él te librará del lazo del cazador: de la peste destruidora.
3Want Hij behoedt u voor de strik van den jager, En voor de verraderlijke kuil;
4Con sus plumas te cubrirá, y debajo de sus alas estarás seguro: escudo y adarga es su verdad.
4Hij zal met zijn vleugelen u dekken, En onder zijn wieken vindt gij een schuilplaats.
5No tendrás temor de espanto nocturno, ni de saeta que vuele de día;
5Gij hebt de verschrikkingen van de nacht niet te vrezen, Geen pijl, die vliegt overdag;
6Ni de pestilencia que ande en oscuridad, ni de mortandad que en medio del día destruya.
6Geen pest, die in de duisternis rondsluipt, Geen besmetting, die ‘s middags haar verwoestingen aanricht.
7Caerán á tu lado mil, y diez mil á tu diestra: mas á ti no llegará.
7Al vallen er duizend aan uw zijde, Tienduizend aan uw rechterhand, U treffen ze niet; Zijn trouw is een schild en een pantser!
8Ciertamente con tus ojos mirarás, y verás la recompensa de los impíos.
8Ja, met eigen ogen zult gij het zien, En de vergelding der bozen aanschouwen;
9Porque tú has puesto á Jehová, que es mi esperanza, al Altísimo por tu habitación,
9Want úw toevlucht is Jahweh, Den Allerhoogste hebt gij u tot beschermer gekozen.
10No te sobrevendrá mal, ni plaga tocará tu morada.
10Geen onheil zal u dus treffen, Geen plaag uw tenten bereiken;
11Pues que á sus ángeles mandará acerca de ti, que te guarden en todos tus caminos.
11Want Hij zal voor u zijn engelen ontbieden, Om u op al uw wegen te hoeden.
12En las manos te llevarán, porque tu pie no tropiece en piedra.
12Zij zullen u op de handen dragen, Opdat gij aan geen steen uw voeten zult stoten;
13Sobre el león y el basilisco pisarás; hollarás al cachorro del león y al dragón.
13Op slang en adder zult gij treden, Leeuwenwelp en draak vertrappen.
14Por cuanto en mí ha puesto su voluntad, yo también lo libraré: pondrélo en alto, por cuanto ha conocido mi nombre.
14“Omdat hij Mij liefheeft, zal Ik hem redden, En omdat hij mijn Naam kent, hem beschermen; Roept hij Mij aan, Dan antwoord Ik hem.”
15Me invocará, y yo le responderé: con él estaré yo en la angustia: lo libraré, y le glorificaré.
15Ik zelf sta hem bij in de nood; Ik red hem en herstel hem in ere:
16Saciarélo de larga vida, y mostraréle mi salud.
16Lengte van dagen zal Ik hem schenken, En hem mijn heil doen aanschouwen!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.