Salmos 17
Reina-Valera 1909Translation
Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Oración de David. OYE, oh Jehová, justicia; está atento á mi clamor; escucha mi oración hecha sin labios de engaño.
1Gebed van David. Jahweh, hoor naar de stem van het recht, Luister naar mijn smeken; Verhoor mijn gebed, Van eerlijke lippen gevloeid.
2De delante de tu rostro salga mi juicio; vean tus ojos la rectitud.
2Van uw aanschijn gaat mijn oordeel uit, Uw ogen zien scherp;
3Tú has probado mi corazón, hasme visitado de noche; me has apurado, y nada inicuo hallaste: heme propuesto que mi boca no ha de propasarse.
3Gij peilt mijn hart, doorzoekt het des nachts, Beproeft mij: maar iets verkeerds vindt Gij niet.
4Para las obras humanas, por la palabra de tus labios yo me he guardado de las vías del destructor.
4Ik overtrad uw gebod niet, zoals de mensen dat doen, Maar volbracht het bevel uwer lippen;
5Sustenta mis pasos en tus caminos, porque mis pies no resbalen.
5Op het pad uwer wetten heb ik mijn schreden gezet, Mijn voet heeft nooit op uw wegen gewankeld.
6Yo te he invocado, por cuanto tú me oirás, oh Dios: inclina á mí tu oído, escucha mi palabra.
6Nu roep ik tot U; want Gij zult mij verhoren, o God; Luister naar mij, en hoor naar mijn smeken!
7Muestra tus estupendas misericordias, tú que salvas á los que en ti confían de los que se levantan contra tu diestra.
7Doe wonderen van goedheid, o Redder van die op U hopen, En die op uw rechterhand steunen.
8Guárdame como lo negro de la niñeta del ojo, escóndeme con la sombra de tus alas,
8Behoed mij als de appel van uw oog, Verberg mij in de schaduw uwer vleugelen:
9De delante de los malos que me oprimen, de mis enemigos que me cercan por la vida.
9Voor de bozen, die mij bespringen, Voor mijn vijanden, die mij woedend omringen.
10Cerrados están con su grosura; con su boca hablan soberbiamente.
10Ze hebben hun hart met vet afgesloten, En blijven zwetsen met hun mond;
11Nuestros pasos nos han cercado ahora: puestos tienen sus ojos para echar nos por tierra.
11Ze omsingelen mij, waar ik ook ga, Loerend, om mij ter aarde te werpen.
12Parecen al león que desea hacer presa, y al leoncillo que está escondido.
12Ze zijn als een leeuw, die hunkert naar buit, Als een leeuwenwelp, dat in hinderlaag ligt.
13Levántate, oh Jehová; prevén su encuentro, póstrale: libra mi alma del malo con tu espada;
13Op, Jahweh, hem tegemoet, stort hem neer, En red mijn ziel van den boze!
14De los hombres con tu mano, oh Jehová, de los hombres de mundo, cuya parte es en esta vida, y cuyo vientre hinches de tu tesoro: hartan sus hijos, y dejan el resto á sus chiquitos.
14Uw zwaard moge ze doden, Jahweh, uw hand ze van de aarde verdelgen! Dit zij hun deel in het leven; En hebt Gij nog meer, vul er hun buik mee; Laat hun zonen er zich aan vergasten, En de rest aan hun kinderen vermaken.
15Yo en justicia veré tu rostro: seré saciado cuando despertare á tu semejanza.
15Maar laat mij door mijn gerechtigheid uw aanschijn aanschouwen, Mij aan uw glorie verzadigen na het ontwaken!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.