Salmos
Chapter 18
Reina-Valera 1909
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Salmos 18

Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Al Músico principal: Salmo de David, siervo de Jehová, el cual profirió á Jehová las palabras de este cántico el día que le libró Jehová de mano de todos sus enemigos, y de mano de Saúl. Entonces dijo: AMARTE he, oh Jehová, fortaleza mía.
1Voor muziekbegeleiding. Van den Dienaar van Jahweh; van David, die tot Jahweh de woorden van dit lied heeft gericht, toen Jahweh hem had verlost uit de hand van al zijn vijanden en ook uit de hand van Saul. En hij sprak: Ik heb U lief, o Jahweh, mijn kracht;
2Jehová, roca mía y castillo mío, y mi libertador; Dios mío, fuerte mío, en él confiaré; escudo mío, y el cuerno de mi salud, mi refugio.
2Jahweh, mijn toevlucht, mijn burcht en mijn veste; Mijn God, mijn rots, waarop ik kan schuilen, Mijn schild, de hoorn van mijn heil, en mijn schutse.
3Invocaré á Jehová, digno de ser alabado, y seré salvo de mis enemigos.
3Ik roep: Geprezen zij Jahweh! En ben van mijn vijand verlost.
4Cercáronme dolores de muerte, y torrentes de perversidad me atemorizaron.
4De branding van de dood had mij al gegrepen, De golven der onderwereld sloegen over mij heen;
5Dolores del sepulcro me rodearon, previniéronme lazos de muerte.
5De strikken van het dodenrijk hielden mij vast, De klemmen van de dood lagen voor mij gereed:
6En mi angustia invoqué á Jehová, y clamé á mi Dios: él oyó mi voz desde su templo, y mi clamor llegó delante de él, á sus oídos.
6Maar ik riep tot Jahweh in mijn nood, En schreide om hulp tot mijn God. En Hij hoorde mijn stem in zijn vorstelijke woning, Mijn hulpgeroep drong door tot zijn oren:
7Y la tierra fué conmovida y tembló; y moviéronse los fundamentos de los montes, y se estremecieron, porque se indignó él.
7Daar schudde en beefde de aarde, Rilden en dreunden de fundamenten der bergen; Want Hij was in woede ontstoken,
8Humo subió de su nariz, y de su boca consumidor fuego; carbones fueron por él encendidos.
8Rook steeg op uit zijn neus, Verslindend vuur spoot uit zijn mond, En gloeiende kolen spatten er uit.
9Y bajó los cielos, y descendió; y oscuridad debajo de sus pies.
9Hij boog de hemel, en daalde neer, Grauwe wolken onder zijn voeten;
10Y cabalgó sobre un querubín, y voló: voló sobre las alas del viento.
10Hij besteeg den Cherub en vloog in het rond, Zwevend op de windewieken.
11Puso tinieblas por escondedero suyo, su pabellón en derredor de sí; oscuridad de aguas, nubes de los cielos.
11Hij sloeg de duisternis als een dek om Zich heen, Donkere nevels, dreigende wolken waren zijn tent;
12Por el resplandor delante de él, sus nubes pasaron; granizo y carbones ardientes.
12En door de gloed, die voor Hem uitging, Braakten zijn wolken hagel en vurige kolen.
13Y tronó en los cielos Jehová, y el Altísimo dió su voz; granizo y carbones de fuego.
13En in de hemel donderde Jahweh, Verhief de Allerhoogste zijn stem;
14Y envió sus saetas, y desbaratólos; y echó relámpagos, y los destruyó.
14Hij schoot zijn pijlen en strooide ze rond, Slingerde zijn bliksems, en joeg ze uiteen.
15Y aparecieron las honduras de las aguas, y descubriéronse los cimientos del mundo, á tu reprensión, oh Jehová, por el soplo del viento de tu nariz.
15Open lag de bedding der zee, Het fundament van de aarde kwam bloot: Door uw dreigen, o Jahweh, Door het snuivend gebries van uw neus.
16Envió desde lo alto; tomóme, sacóme de las muchas aguas.
16Van boven boog Hij Zich neer, greep mij vast, En trok mij weg uit de onstuimige wateren;
17Libróme de mi poderoso enemigo, y de los que me aborrecían, aunque eran ellos más fuertes que yo.
17Hij verloste mij van mijn grimmigen vijand En van mijn haters, want ze waren te machtig.
18Asaltáronme en el día de mi quebranto: mas Jehová fué mi apoyo.
18Ze waren uitgetrokken op de dag van mijn rampspoed, Maar Jahweh was mijn beschermer;
19Y sacóme á anchura: libróme, porque se agradó de mí.
19Hij beveiligde mij, En bracht mij redding, omdat Hij mij liefhad.
20Hame pagado Jehová conforme á mi justicia: conforme á la limpieza de mis manos me ha vuelto.
20Toen werd mijn gerechtigheid door Jahweh beloond, Mijn reinheid van handen vergolden:
21Porque yo he guardado los caminos de Jehová, y no me aparté impíamente de mi Dios.
21Want ik had de wegen van Jahweh bewandeld, Niet gezondigd tegen mijn God;
22Pues todos sus juicios estuvieron delante de mí, y no eché de mí sus estatutos.
22Ik had al zijn geboden voor ogen gehouden, Niet zijn wetten ontweken;
23Y fuí íntegro para con él, y cauteléme de mi maldad.
23Ik was voor Hem zonder smet, Had mij zuiver van zonde bewaard;
24Pagóme pues Jehová conforme á mi justicia; conforme á la limpieza de mis manos delante de sus ojos.
24Daarom werd mijn gerechtigheid door Jahweh beloond, En mijn reinheid van handen in zijn ogen.
25Con el misericordioso te mostrarás misericordioso, y recto para con el hombre íntegro.
25Want voor getrouwen toont Gij U trouw, Voor rechtschapenen rechtschapen;
26Limpio te mostrarás para con el limpio, y severo serás para con el perverso.
26Rein voor den reine, Maar voor de listigaards listig.
27Y tú salvarás al pueblo humilde, y humillarás los ojos altivos.
27Ja, Gij redt het deemoedige volk, Maar vernedert hovaardige blikken;
28Tú pues alumbrarás mi lámpara: Jehová mi Dios alumbrará mis tinieblas.
28Gij zijt, o Jahweh, mijn lamp, Mijn God, die licht in mijn duisternis straalt;
29Porque contigo desharé ejércitos; y con mi Dios asaltaré muros.
29Met U durf ik de stormloop beginnen, Met mijn God de wallen bespringen.
30Dios, perfecto su camino: es acendrada la palabra de Jehová: escudo es á todos los que en él esperan.
30God! Volmaakt zijn zijn wegen, Jahweh’s woord is gelouterd. Hij is voor allen een schild, Die vluchten tot Hem.
31Porque ¿qué Dios hay fuera de Jehová? ¿y qué fuerte fuera de nuestro Dios?
31Wie toch is God, dan Jahweh alleen; Wie een rots, dan alleen onze God!
32Dios es el que me ciñe de fuerza, é hizo perfecto mi camino;
32God! Hij omgordt mij met kracht, En baant mij een veilige weg;
33Quien pone mis pies como pies de ciervas, é hízome estar sobre mis alturas;
33Hij maakt mijn voeten vlug als hinden, En doet mij de hoogste toppen beklimmen;
34Quien enseña mis manos para la batalla, y será quebrado con mis brazos el arco de acero.
34Hij oefent mijn handen ten strijde, Mijn armen tot het spannen van de koperen boog.
35Dísteme asimismo el escudo de tu salud: y tu diestra me sustentó, y tu benignidad me ha acrecentado.
35Zo hebt Gij mij het schild van uw heil gereikt; Uw rechterhand heeft mij gestut, uw goedheid maakte mij groot.
36Ensanchaste mis pasos debajo de mí, y no titubearon mis rodillas.
36Gij hebt een weg voor mijn stappen gebaand, En mijn voeten wankelden niet.
37Perseguido he mis enemigos, y alcancélos, y no volví hasta acabarlos.
37Ik vervolgde mijn vijanden, haalde ze in, En keerde niet terug, eer ik ze had verslagen;
38Helos herido, y no podrán levantarse: cayeron debajo de mis pies.
38Ik heb ze verpletterd, zodat ze niet opstaan, Maar onder mijn voet blijven liggen.
39Pues me ceñiste de fortaleza para la pelea; has agobiado mis enemigos debajo de mí.
39Gij hebt mij met kracht omgord tot de strijd, Mijn tegenstanders voor mij doen bukken;
40Y dísteme la cerviz de mis enemigos, y destruí á los que me aborrecían.
40Gij liet mij de rug van mijn vijanden zien, Mijn haters heb ik verdelgd.
41Clamaron, y no hubo quien salvase: aun á Jehová, mas no los oyó.
41Nu huilen ze, maar niemand helpt: Tot Jahweh zelfs, maar Hij antwoordt hun niet;
42Y molílos como polvo delante del viento; esparcílos como lodo de las calles.
42Ik vermaal ze als stof voor de wind, En vertrap ze als slijk op de straten.
43Librásteme de contiendas de pueblo: pusísteme por cabecera de gentes: pueblo que yo no conocía, me sirvió.
43Gij hebt mij gered uit de strijd met de volkeren, En mij aan het hoofd van de naties gesteld:
44Así que hubo oído, me obedeció; los hijos de extraños me mintieron;
44Volkeren, die ik niet kende, werden mij dienstbaar, Vreemden brachten mij hulde; Nauwelijks hadden ze van mij gehoord, Of ze gehoorzaamden mij;
45Los extraños flaquearon, y tuvieron miedo desde sus encerramientos.
45Anderen lagen uitgeput neer, En kropen sidderend uit hun burchten.
46Viva Jehová, y sea bendita mi roca; y ensalzado sea el Dios de mi salud:
46Leve Jahweh! Gezegend mijn Rots; Hoogverheven de God van mijn heil!
47El Dios que me da las venganzas, y sujetó pueblos á mí.
47Gij hebt mij gewroken, o God, Volkeren aan mij onderworpen;
48Mi libertador de mis enemigos: hicísteme también superior de mis adversarios; librásteme de varón violento.
48Mij van mijn grimmigen vijand verlost, Zege over mijn bestrijders verleend, mij van geweldenaars bevrijd!
49Por tanto yo te confesaré entre las gentes, oh Jehová, y cantaré á tu nombre.
49Daarom wil ik U prijzen, o Jahweh, Uw Naam verheerlijken onder de volken!
50El cual engrandece las saludes de su rey, y hace misericordia á su ungido, á David y á su simiente, para siempre.
50Machtige hulp verleent Hij zijn Koning, En genade aan zijn Gezalfde: Aan David en zijn geslacht voor altijd!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.