Psaumes
Chapter 18
Louis Segond 1910
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Psaumes 18

Louis Segond 1910
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Au chef des chantres. Du serviteur de l’Éternel, de David, qui adressa à l’Éternel les paroles de ce cantique, lorsque l’Éternel l’eut délivré de la main de tous ses ennemis et de la main de Saül. Il dit:
1Voor muziekbegeleiding. Van den Dienaar van Jahweh; van David, die tot Jahweh de woorden van dit lied heeft gericht, toen Jahweh hem had verlost uit de hand van al zijn vijanden en ook uit de hand van Saul. En hij sprak: Ik heb U lief, o Jahweh, mijn kracht;
2Je t’aime, ô Éternel, ma force!
2Jahweh, mijn toevlucht, mijn burcht en mijn veste; Mijn God, mijn rots, waarop ik kan schuilen, Mijn schild, de hoorn van mijn heil, en mijn schutse.
3Éternel, mon rocher, ma forteresse, mon libérateur! Mon Dieu, mon rocher, où je trouve un abri! Mon bouclier, la force qui me sauve, ma haute retraite!
3Ik roep: Geprezen zij Jahweh! En ben van mijn vijand verlost.
4Je m’écrie: Loué soit l’Éternel! Et je suis délivré de mes ennemis.
4De branding van de dood had mij al gegrepen, De golven der onderwereld sloegen over mij heen;
5Les liens de la mort m’avaient environné, Et les torrents de la destruction m’avaient épouvanté;
5De strikken van het dodenrijk hielden mij vast, De klemmen van de dood lagen voor mij gereed:
6Les liens du sépulcre m’avaient entouré, Les filets de la mort m’avaient surpris.
6Maar ik riep tot Jahweh in mijn nood, En schreide om hulp tot mijn God. En Hij hoorde mijn stem in zijn vorstelijke woning, Mijn hulpgeroep drong door tot zijn oren:
7Dans ma détresse, j’ai invoqué l’Éternel, J’ai crié à mon Dieu; De son palais, il a entendu ma voix, Et mon cri est parvenu devant lui à ses oreilles.
7Daar schudde en beefde de aarde, Rilden en dreunden de fundamenten der bergen; Want Hij was in woede ontstoken,
8La terre fut ébranlée et trembla, Les fondements des montagnes frémirent, Et ils furent ébranlés, parce qu’il était irrité.
8Rook steeg op uit zijn neus, Verslindend vuur spoot uit zijn mond, En gloeiende kolen spatten er uit.
9Il s’élevait de la fumée dans ses narines, Et un feu dévorant sortait de sa bouche: Il en jaillissait des charbons embrasés.
9Hij boog de hemel, en daalde neer, Grauwe wolken onder zijn voeten;
10Il abaissa les cieux, et il descendit: Il y avait une épaisse nuée sous ses pieds.
10Hij besteeg den Cherub en vloog in het rond, Zwevend op de windewieken.
11Il était monté sur un chérubin, et il volait, Il planait sur les ailes du vent.
11Hij sloeg de duisternis als een dek om Zich heen, Donkere nevels, dreigende wolken waren zijn tent;
12Il faisait des ténèbres sa retraite, sa tente autour de lui, Il était enveloppé des eaux obscures et de sombres nuages.
12En door de gloed, die voor Hem uitging, Braakten zijn wolken hagel en vurige kolen.
13De la splendeur qui le précédait s’échappaient les nuées, Lançant de la grêle et des charbons de feu.
13En in de hemel donderde Jahweh, Verhief de Allerhoogste zijn stem;
14L’Éternel tonna dans les cieux, Le Très-Haut fit retentir sa voix, Avec la grêle et les charbons de feu.
14Hij schoot zijn pijlen en strooide ze rond, Slingerde zijn bliksems, en joeg ze uiteen.
15Il lança ses flèches et dispersa mes ennemis, Il multiplia les coups de la foudre et les mit en déroute.
15Open lag de bedding der zee, Het fundament van de aarde kwam bloot: Door uw dreigen, o Jahweh, Door het snuivend gebries van uw neus.
16Le lit des eaux apparut, Les fondements du monde furent découverts, Par ta menace, ô Éternel! Par le bruit du souffle de tes narines.
16Van boven boog Hij Zich neer, greep mij vast, En trok mij weg uit de onstuimige wateren;
17Il étendit sa main d’en haut, il me saisit, Il me retira des grandes eaux;
17Hij verloste mij van mijn grimmigen vijand En van mijn haters, want ze waren te machtig.
18Il me délivra de mon adversaire puissant, De mes ennemis qui étaient plus forts que moi.
18Ze waren uitgetrokken op de dag van mijn rampspoed, Maar Jahweh was mijn beschermer;
19Ils m’avaient surpris au jour de ma détresse; Mais l’Éternel fut mon appui.
19Hij beveiligde mij, En bracht mij redding, omdat Hij mij liefhad.
20Il m’a mis au large, Il m’a sauvé, parce qu’il m’aime.
20Toen werd mijn gerechtigheid door Jahweh beloond, Mijn reinheid van handen vergolden:
21L’Éternel m’a traité selon ma droiture, Il m’a rendu selon la pureté de mes mains;
21Want ik had de wegen van Jahweh bewandeld, Niet gezondigd tegen mijn God;
22Car j’ai observé les voies de l’Éternel, Et je n’ai point été coupable envers mon Dieu.
22Ik had al zijn geboden voor ogen gehouden, Niet zijn wetten ontweken;
23Toutes ses ordonnances ont été devant moi, Et je ne me suis point écarté de ses lois.
23Ik was voor Hem zonder smet, Had mij zuiver van zonde bewaard;
24J’ai été sans reproche envers lui, Et je me suis tenu en garde contre mon iniquité.
24Daarom werd mijn gerechtigheid door Jahweh beloond, En mijn reinheid van handen in zijn ogen.
25Aussi l’Éternel m’a rendu selon ma droiture, Selon la pureté de mes mains devant ses yeux.
25Want voor getrouwen toont Gij U trouw, Voor rechtschapenen rechtschapen;
26Avec celui qui est bon tu te montres bon, Avec l’homme droit tu agis selon la droiture,
26Rein voor den reine, Maar voor de listigaards listig.
27Avec celui qui est pur tu te montres pur, Et avec le pervers tu agis selon sa perversité.
27Ja, Gij redt het deemoedige volk, Maar vernedert hovaardige blikken;
28Tu sauves le peuple qui s’humilie, Et tu abaisses les regards hautains.
28Gij zijt, o Jahweh, mijn lamp, Mijn God, die licht in mijn duisternis straalt;
29Oui, tu fais briller ma lumière; L’Éternel, mon Dieu, éclaire mes ténèbres.
29Met U durf ik de stormloop beginnen, Met mijn God de wallen bespringen.
30Avec toi je me précipite sur une troupe en armes, Avec mon Dieu je franchis une muraille.
30God! Volmaakt zijn zijn wegen, Jahweh’s woord is gelouterd. Hij is voor allen een schild, Die vluchten tot Hem.
31Les voies de Dieu sont parfaites, La parole de l’Éternel est éprouvée; Il est un bouclier pour tous ceux qui se confient en lui.
31Wie toch is God, dan Jahweh alleen; Wie een rots, dan alleen onze God!
32Car qui est Dieu, si ce n’est l’Éternel; Et qui est un rocher, si ce n’est notre Dieu?
32God! Hij omgordt mij met kracht, En baant mij een veilige weg;
33C’est Dieu qui me ceint de force, Et qui me conduit dans la voie droite.
33Hij maakt mijn voeten vlug als hinden, En doet mij de hoogste toppen beklimmen;
34Il rend mes pieds semblables à ceux des biches, Et il me place sur mes lieux élevés.
34Hij oefent mijn handen ten strijde, Mijn armen tot het spannen van de koperen boog.
35Il exerce mes mains au combat, Et mes bras tendent l’arc d’airain.
35Zo hebt Gij mij het schild van uw heil gereikt; Uw rechterhand heeft mij gestut, uw goedheid maakte mij groot.
36Tu me donnes le bouclier de ton salut, Ta droite me soutient, Et je deviens grand par ta bonté.
36Gij hebt een weg voor mijn stappen gebaand, En mijn voeten wankelden niet.
37Tu élargis le chemin sous mes pas, Et mes pieds ne chancellent point.
37Ik vervolgde mijn vijanden, haalde ze in, En keerde niet terug, eer ik ze had verslagen;
38Je poursuis mes ennemis, je les atteins, Et je ne reviens pas avant de les avoir anéantis.
38Ik heb ze verpletterd, zodat ze niet opstaan, Maar onder mijn voet blijven liggen.
39Je les brise, et ils ne peuvent se relever; Ils tombent sous mes pieds.
39Gij hebt mij met kracht omgord tot de strijd, Mijn tegenstanders voor mij doen bukken;
40Tu me ceins de force pour le combat, Tu fais plier sous moi mes adversaires.
40Gij liet mij de rug van mijn vijanden zien, Mijn haters heb ik verdelgd.
41Tu fais tourner le dos à mes ennemis devant moi, Et j’extermine ceux qui me haïssent.
41Nu huilen ze, maar niemand helpt: Tot Jahweh zelfs, maar Hij antwoordt hun niet;
42Ils crient, et personne pour les sauver! Ils crient à l’Éternel, et il ne leur répond pas!
42Ik vermaal ze als stof voor de wind, En vertrap ze als slijk op de straten.
43Je les broie comme la poussière qu’emporte le vent, Je les foule comme la boue des rues.
43Gij hebt mij gered uit de strijd met de volkeren, En mij aan het hoofd van de naties gesteld:
44Tu me délivres des dissensions du peuple; Tu me mets à la tête des nations; Un peuple que je ne connaissais pas m’est asservi.
44Volkeren, die ik niet kende, werden mij dienstbaar, Vreemden brachten mij hulde; Nauwelijks hadden ze van mij gehoord, Of ze gehoorzaamden mij;
45Ils m’obéissent au premier ordre, Les fils de l’étranger me flattent;
45Anderen lagen uitgeput neer, En kropen sidderend uit hun burchten.
46Les fils de l’étranger sont en défaillance, Ils tremblent hors de leurs forteresses.
46Leve Jahweh! Gezegend mijn Rots; Hoogverheven de God van mijn heil!
47Vive l’Éternel, et béni soit mon rocher! Que le Dieu de mon salut soit exalté,
47Gij hebt mij gewroken, o God, Volkeren aan mij onderworpen;
48Le Dieu qui est mon vengeur, Qui m’assujettit les peuples,
48Mij van mijn grimmigen vijand verlost, Zege over mijn bestrijders verleend, mij van geweldenaars bevrijd!
49Qui me délivre de mes ennemis! Tu m’élèves au-dessus de mes adversaires, Tu me sauves de l’homme violent.
49Daarom wil ik U prijzen, o Jahweh, Uw Naam verheerlijken onder de volken!
50C’est pourquoi je te louerai parmi les nations, ô Éternel! Et je chanterai à la gloire de ton nom.
50Machtige hulp verleent Hij zijn Koning, En genade aan zijn Gezalfde: Aan David en zijn geslacht voor altijd!
51Il accorde de grandes délivrances à son roi, Et il fait miséricorde à son oint, A David, et à sa postérité, pour toujours.
no verse 51 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.