Psaumes
Chapter 68
Louis Segond 1910
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Psaumes 68

Louis Segond 1910
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Au chef des chantres. De David. Psaume. Cantique.
1Voor muziekbegeleiding van David. Een psalm; een lied. God staat op: zijn vijanden stuiven uiteen, Zijn haters vluchten voor Hem weg!
2Dieu se lève, ses ennemis se dispersent, Et ses adversaires fuient devant sa face.
2Zoals rook spoorloos verdwijnt, En was wegsmelt in vuur, Zo vergaan de bozen Voor het aanschijn van God.
3Comme la fumée se dissipe, tu les dissipes; Comme la cire se fond au feu, Les méchants disparaissent devant Dieu.
3Maar de rechtvaardigen mogen juichen en jubelen, Zich verheugen en verblijden in God!
4Mais les justes se réjouissent, ils triomphent devant Dieu, Ils ont des transports d’allégresse.
4Zingt God ter ere, en verheerlijkt zijn Naam, Jubelt voor Hem, die door de woestijn kwam gereden; Verheugt u in Jahweh, En juicht voor zijn aanschijn!
5Chantez à Dieu, célébrez son nom! Frayez le chemin à celui qui s’avance à travers les plaines! L’Éternel est son nom: réjouissez-vous devant lui!
5Hij is de Vader der wezen, de Beschermer der weduwen, Hij is God in zijn heilige tent;
6Le père des orphelins, le défenseur des veuves, C’est Dieu dans sa demeure sainte.
6God, die de eenzame zwervers naar huis geleidde, Maar de weerspannigen bleven in de wildernis achter!
7Dieu donne une famille à ceux qui étaient abandonnés, Il délivre les captifs et les rend heureux; Les rebelles seuls habitent des lieux arides.
7Bij uw uittocht, o God, aan de spits van uw volk, En bij uw opmars door de woestijn:
8O Dieu! Quand tu sortis à la tête de ton peuple, Quand tu marchais dans le désert, — Pause.
8Beefde de aarde, dropen de hemelen voor het aanschijn van God, Rilde de Sinaï voor het aanschijn van Jahweh, Israëls God!
9La terre trembla, les cieux se fondirent devant Dieu, Le Sinaï s’ébranla devant Dieu, le Dieu d’Israël.
9Een regen van gaven hebt Gij uitgestort, o God, En toen uw erfdeel uitgeput was, hebt Gij het gesterkt;
10Tu fis tomber une pluie bienfaisante, ô Dieu! Tu fortifias ton héritage épuisé.
10Uw beesten lieten zich onder hen neer, De uitgehongerden hebt Gij, o God, in uw goedheid verkwikt.
11Ton peuple établit sa demeure dans le pays Que par ta bonté, ô Dieu! Tu avais préparé pour les malheureux.
11Toen heeft de Heer zijn belofte vervuld, En een leger van vrouwen kwam het blijde verkonden:
12Le Seigneur dit une parole, Et les messagères de bonnes nouvelles sont une grande armée:
12Machtige koningen slaan met haast op de vlucht, En het schone geslacht verdeelt de buit!
13Les rois des armées fuient, fuient, Et celle qui reste à la maison partage le butin.
13Nu moogt gij gaan rusten in uw beemden: Zilverwit als de vleugels der duif, met goud overtrokken;
14Tandis que vous reposez au milieu des étables, Les ailes de la colombe sont couvertes d’argent, Et son plumage est d’un jaune d’or.
14Want de Almachtige heeft de koningen verstrooid, Zoals het sneeuwt op de Salmon!
15Lorsque le Tout-Puissant dispersa les rois dans le pays, La terre devint blanche comme la neige du Tsalmon.
15Bergen van Basjan, godengebergte met uw spitsen:
16Montagnes de Dieu, montagnes de Basan, Montagnes aux cimes nombreuses, montagnes de Basan,
16Bergen en toppen, waarom kijkt gij scheel Naar de berg, die God tot woonplaats verkoos, En waar Jahweh eeuwig zal wonen?
17Pourquoi, montagnes aux cimes nombreuses, avez-vous de l’envie Contre la montagne que Dieu a voulue pour résidence? L’Éternel n’en fera pas moins sa demeure à perpétuité.
17Op de wagens van God: tienduizenden, duizend maal duizend, Trokt Gij van de Sinaï uw heiligdom binnen, o Heer;
18Les chars de l’Éternel se comptent par vingt mille, Par milliers et par milliers; Le Seigneur est au milieu d’eux, le Sinaï est dans le sanctuaire.
18Gij hebt de hoogte beklommen, De gevangenen meegevoerd, Van de mensen geschenken aanvaard, Van weerspannigen zelfs, voor de woonplaats van God!
19Tu es monté dans les hauteurs, tu as emmené des captifs, Tu as pris en don des hommes; Les rebelles habiteront aussi près de l’Éternel Dieu.
19Geloofd zij de Heer, die ons altijd beschermt, de God van ons heil;
20Béni soit le Seigneur chaque jour! Quand on nous accable, Dieu nous délivre. — Pause.
20Gij, die ons redt; Jahweh, die nog uitwegen kent van de dood;
21Dieu est pour nous le Dieu des délivrances, Et l’Éternel, le Seigneur, peut nous garantir de la mort.
21God, die de kop van zijn vijand verplettert, De harde schedel van hem, die in ongerechtigheid leeft!
22Oui, Dieu brisera la tête de ses ennemis, Le sommet de la tête de ceux qui vivent dans le péché.
22De Heer heeft gezegd: Ik sleep ze uit Basjan, Haal ze naar boven uit de diepten der zee,
23Le Seigneur dit: Je les ramènerai de Basan, Je les ramènerai du fond de la mer,
23Opdat gij in hun bloed met uw voeten kunt plassen, Ook de tong van uw honden haar deel van de vijanden krijgt!
24Afin que tu plonges ton pied dans le sang, Et que la langue de tes chiens ait sa part des ennemis.
24Ziet, daar nadert de feeststoet van God, De feeststoet naar het heiligdom van mijn God en mijn Koning!
25Ils voient ta marche, ô Dieu! La marche de mon Dieu, de mon roi, dans le sanctuaire.
25Voorop gaan de zangers, de harpspelers volgen;
26En tête vont les chanteurs, puis ceux qui jouent des instruments, Au milieu de jeunes filles battant du tambourin.
26In het midden de maagden met pauken: in koren loven ze God. Dan de heersers, uit Israëls bronnen ontsprongen:
27Bénissez Dieu dans les assemblées, Bénissez le Seigneur, descendants d’Israël!
27Benjamin de jongste vooraan, Met de vorsten van Juda in machtige drommen, En de vorsten van Zabulon en Neftali’s vorsten!
28Là sont Benjamin, le plus jeune, qui domine sur eux, Les chefs de Juda et leur troupe, Les chefs de Zabulon, les chefs de Nephthali.
28Toon nu uw almacht, o God, die Gij ons hebt betuigd,
29Ton Dieu ordonne que tu sois puissant; Affermis, ô Dieu, ce que tu as fait pour nous!
29Van uw heiligdom uit voor Jerusalems heil! Laat koningen U geschenken brengen:
30De ton temple tu règnes sur Jérusalem; Les rois t’apporteront des présents.
30Jonge schapen, kudden stieren en kalveren uit Patros; Met staven van zilver en goud Als vrijwillige schatting der volken;
31Épouvante l’animal des roseaux, La troupe des taureaux avec les veaux des peuples, Qui se prosternent avec des pièces d’argent! Disperse les peuples qui prennent plaisir à combattre!
31Laat Egypte zijn vette gaven brengen, Koesj zijn handen vullen voor God!
32Des grands viennent de l’Égypte; L’Éthiopie accourt, les mains tendues vers Dieu.
32Koninkrijken der aarde, zingt ter ere van God, En stemt een loflied aan voor den Heer:
33Royaumes de la terre, chantez à Dieu, Célébrez le Seigneur! — Pause.
33Die de hoogste hemel der hemelen bestijgt, En met zijn stem de machtige donder doet rollen!
34Chantez à celui qui s’avance dans les cieux, les cieux éternels! Voici, il fait entendre sa voix, sa voix puissante.
34Geeft glorie aan Israëls God, Wiens macht en kracht in de wolken reikt!
35Rendez gloire à Dieu! Sa majesté est sur Israël, et sa force dans les cieux.
35Ontzaglijk is God in zijn heilige woning: Hij, Israëls God, Die kracht en sterkte geeft aan het volk: Gezegend zij God!
36De ton sanctuaire, ô Dieu! Tu es redoutable. Le Dieu d’Israël donne à son peuple la force et la puissance. Béni soit Dieu!
no verse 36 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.